Zoeken in deze blog

dinsdag 19 december 2017

Kerstgeschenk uit goudzoekersland

Om in de donkere dagen van kerst wat sentimentele verstrooiing te bieden heb ik – na een dollemansrit op mijn boerenknol – in goudzoekersland een oud kerstverhaal opgedolven. Het resultaat is een nieuwe vertaling van Bret Harte’s ‘How Santa Claus Came to Simpson’s Bar’ – het verhaal waarvan ik hier rond Sinterklaastijd ook de allereerste Nederlandse vertaling, uit 1873, heb geplaatst.


Mijn nieuwe vertaling is te lang voor één blogbericht en bied ik daarom aan als gratis e-boek, in drie bestandsformaten te downloaden:

Dit is de downloadlink naar het ereader-bestand (epub).
Dit is de downloadlink naar het Word-document (rtf).
Dit is de downloadlink naar beide formaten plus een Kindle-versie in één zip-bestand (zip).

Zevenhonderd-plus

Verrukt is straks de boekenvrind
Die dit onder de kerstboom vindt:
Dik zevenhonderd pagina’s
Met Stegners machtige relaas
Van Oliver en Susan Ward;
Haar schrijftalent, zijn stroeve aard,
Hoe die twee naar het Westen gaan,
Hun strijd voor een beschaafd bestaan.
Helaas geeft haast geen recensent
Haar of zijn mening daaromtrent.
(Ze denken: zevenhonderd-plus?
Jaeuhhhh… heb ik nu geen tijd voor dus.)
Maar Rob en ik maken ons sterk:
Dit is een majeur meesterwerk.

Wallace Stegner, De fundamenten van ons leven

(Dat gerijmel, oorspronkelijk als sinterklaasversje bedoeld, is een maand later helaas nog onverminderd actueel: in de reguliere media heeft alleen Dirk-Jan Arensman in de VPRO-Gids een artikel gewijd aan deze vertaling van Wallace Stegners Angle of Repose – een bespreking waarin hij overigens in bewonderenswaardig kort bestek een heel goed beeld van de kwaliteiten van het boek weet te schetsen.)

maandag 18 december 2017

Beestachtige roman

Deze maand is er een nieuwe vertaling verschenen van Choderlos de Laclos’ Liaisons Dangereuses, nu getiteld Riskante Relaties. Over die titel en andere vertaalkeuzes heeft vertaler Martin de Haan op zijn blog al interessante toelichtingen gegeven (zie ook VertaalVerhaal), die mijn lust aanwakkeren om de roman in deze nieuwe versie te herlezen.

Op het omslag van de nieuwe uitgave prijkt een opvallende afbeelding van George Barbier die de (lees)lust ook prikkelt. Dat plaatje is afkomstig uit een door Barbier bijzonder weelderig geïllustreerde editie van de roman uit 1934, waarvan hier nog een iets ingetogener voorbeeld. Hoewel, ingetogen...


Nu ik meer van die illustraties heb gezien (op dit blog) vind ik het bijna jammer dat Arbeiderspers die geïllustreerde editie niet integraal heruitgeeft. Maar misschien zou de gedateerde sfeer van die afbeeldingen (een curieuze mix van pruikentijd en art deco) slecht aansluiten op de moderne toon van de nieuwe vertaling.

Nu las ik op Wikipedia dat dit al de vierde Nederlandse vertaling van deze roman is, én dat de eerste vertaling pas in 1954 verscheen. Vier vertalingen in minder dan 70 jaar, dat is best veel; maar ik vind het vooral opvallend dat het 170 jaar heeft geduurd voordat er eens een Nederlandse vertaling van dit boek kwam. Was het zo berucht en omstreden dat niemand zich eraan wilde wagen? Of was het juist heel obscuur, veel minder beroemd dan we nu geneigd zijn te denken?

Evitez les laisons dangereuses

Ik heb Delpher daarom eens doorzocht op verwijzingen naar titel en auteur. Mijn oppervlakkige zoekactie leverde maar een gering aantal treffers op. Ik hoopte natuurlijk iets te vinden dat zou kunnen wijzen een andere, oudere vertaling die inmiddels vergeten is, maar daarvan was geen spoor te bekennen; Adriaan Morriëns vertaling van 1954 zal dus inderdaad de eerste zijn geweest.

Totaal onbekend lijkt het boek in Nederland ook niet te zijn geweest. Er wordt weleens naar verwezen, vooral vanaf het eind van de negentiende eeuw. In de eerste decennia van die eeuw werd het boek soms genoemd in het Franstalige Journal de La Haye volgens de site van het KB een
door de regering financieel gesteunde krant die in de Tweede Kamer werd getypeerd als ‘een ellendig prulleblad’, maar desondanks negentien jaar bleef bestaan.
(Terzijde: wist u dat herbergiers destijds verplicht waren zich op de Koninglyke Staats-Courant te abonneren en hun klanten ‘een exemplaar ter lezing aan te bieden’?)

In 1876 wordt de titel van het boek in een feuilleton genoemd en blijkbaar bekend genoeg geacht om geen verklaring in een voetnoot te behoeven. De Telegraaf beantwoordt in 1921 een lezersvraag over Choderlos de Laclos:
Mevrouw E. K. te A. vraagt inlichtingen omtrent den Franschen schrijver Laclos, wiens werk „Liaisons dangereuses” als zeer mooi geroemd wordt. Ook vernam mevrouw K. gaarne iets omtrent Benjamin Constant.
De krant komt mevrouw E.K. tegemoet met de beknopte biografische gegevens van beide auteurs. En in Het Vaderland is in 1931 een aflevering van de rubriek ‘Oude Boeken’ aan dit ‘buitengewoon merkwaardig boek’ gewijd. 

Maar heel veel werd er over de roman toch niet geschreven. Van de weinige treffers die Delpher opleverde, hadden sommige natuurlijk ook helemaal geen betrekking op de roman: de term ‘liaisons dangereuses’ werd in algemene zin gebruikt als aanduiding voor zedeloze relaties – niet zelden met een besmuikte lach gebracht:



Op z’n hondjes

Dat geldt waarschijnlijk ook voor het jolig bedoelde stuk ‘De hondenmanie’ uit de Arnhemsche courant van 9 augustus 1840: een tirade tegen buitensporige dierenliefde. Een tekst met universele geldigheid, maar een wat belegen ironie. De auteur klaagt dat het met de liefde van de hond voor de mens wel meevalt: hij ontmoet ‘niet anders dan honden die ons met de grootste onverschilligheid behandelen’:
Van tijd tot tijd echter gebeurt het dat keffers zich verwaardigen eenige acht op ons te slaan en zich meer bijzonder aan ons te hechten, maar dan is het altijd bij de kuiten dat de kennismaking begint, en zulke kennissen tellen wij onder de liaisons dangereuses.
Want dat zijn natuurlijk (humor!) kuitenbijtertjes. Of zou hij doelen op...


Vast niet.

Beestachtige roman

Ik vond eigenlijk maar één verwijzing die heel duidelijk bevestigt dat de roman in zijn tijd een schandaal veroorzaakte. Op 6 maart 1834 bericht de Bredasche courant in de ‘Letterkundige en Wetenschappelijke Nieuwstijdingen’ dat een toneelbewerking van ‘de beestachtige roman van den Generaal Leclos’
genaamd les Liaisons Dangereuses, welke reeds eenigzins in vergetelheid begon te raken, [...] thans in een blijspel van dien naam ten tooneele [is] verschenen. De blijken van afkeuring, welke het publiek heeft gegeven bij de ontuchtigheden, zedelooze stellingen en profanatien, welke in dit stuk voorkomen, en een jaar geleden, zoo niet toegejuicht, dan toch geduld zouden zijn, mag men als een verblijdend teeken beschouwen, dat het publiek begint te walgen van de buitensporigheden, waarmede men op het tooneel gedurende eenigen tijd de openbare zedelijkheid schaamteloos heeft durven schenden.
Over het toen opgevoerde toneelstuk is op internet niet veel informatie te vinden. Ik neem aan dat het gaat om het ‘drame en trois actes avec chants d’Ancelot et Santine, dit Xavier’ en ‘joué au Théâtre du Vaudeville le 20 février 1834’ waarvan sprake is op Google Books.

Anderhalf jaar later bericht dezelfde Bredasche courant veel positiever over een Duitse toneelbewerking van hetzelfde boek, Marie door August von Steigentesch:
eene navolging van de bekende Fransche roman Les liaisons dangereuses, door de la Clos; en nogtans geheel deszelfs tegenstelling want de strekking is hier van het begin tot het einde zedelijk, en het is desgelijks in een’ even sierlijken stijl geschreven
Kortom, en voor zover je op basis van deze schamele verwijzingen iets kunt concluderen: ja, het boek was werkelijk berucht. Het was bij de geletterde klasse in Nederland, die zeker in de eerste helft van de negentiende eeuw nog sterk op Frankrijk was gericht, ongetwijfeld wel bekend; maar er werd weinig over geschreven, en aan een vertaling van het boek was blijkbaar geen behoefte.

Sex, romantiek en geweld in de bioscopen

Wat de schandaalwaarde van het boek betreft: de controversiële verfilming door Roger Vadim uit 1959 werd in Nederland zelfs in de jaren zestig nog als pikant ervaren – al was deze ‘rolprent met hoogst dubieuze moraal en veel sex’ uiteindelijk toch gewoon in de bioscoop te zien, ook in mijn geboortestreek. Dat wel!

Provinciale Zeeuwse Courant 7 september 1963
bron: Krantenbank Zeeland

En was Vadims versie uit 1959 de eerste verfilming van het boek? Zowel Wikipedia als IMDB zeggen van wel.



Maar juist op dit punt roept mijn argeloze zoekactie in Delpher meer vragen op dan erdoor worden beantwoord. Want wat lees ik in Nederlandse kranten van 25 juni 1925?
Het meest grootsche, sensationeele, spannende filmwerk Les Liaisons Dangereuses brengen wij uit onder den naam Gevaarlijke Liefde.
Wat is dat voor film? Is er op basis van deze roman ooit een stomme film gemaakt die nu vergeten is?

Het staat in een advertentie die trouwens wel meer vragen oproept, met die cryptische verwijzingen naar ‘politieke hartstochten’ en ‘gevaarlijke politiek’:

Het volk: dagblad voor de arbeiderspartij, 25-06-1925
bron: Delpher

Om met dat laatste te beginnen: dat zijn gewoon jolige verwijzingen naar de Tweede Kamerverkiezingen van een week later. (Overigens pas de tweede landelijke stembusgang waaraan vrouwen mochten deelnemen.)

bron: Wikipedia
Wat de film betreft: ik vind op internet niets wat erop wijst dat de roman in de jaren twintig is verfilmd. Een dag later bevat het Bioskoopnieuws in Het Volk een uitgebreidere beschrijving van het programma in Cinema Palace, die me ook nog niet veel wijzer maakt:
Een bizonder aardige film is een tocht door de Londensche kabarets, waarvan natuurlijk de schoonste danseressen en zangeressen het middelpunt uitmaken. Bij die Londensche kabarets, die veel meer geld kunnen uitgeven voor een „goed nummer” dan de Hollandsche, steken de meeste van onze variété’s wel àf.
   De hoofdfilm behandelt een gevaarlijk onderwerp, n.l. de liefde. Het dient direkt gezegd, dat er liefde genoeg in deze film zit. Liefde, sensatie en spanning, wat wil de bioskoophezoeker meer! Bovendien gaat het hier over „gevaarlijke liefde”, over „verhoudingen”, „liaisons”.
   Dit onderwerp, gespeeld door zeer goede artisten, weet de bezoekers danig te boeien.
Hoe zit dit? Is Liaisons dangereuses de titel van die film over Londense cabarets? Of is dat alleen een voorfilm en is de hier genoemde hoofdfilm inderdaad een verfilming van de Franse roman? En waarom is van die film dan nergens een spoor te vinden?

Of gaat het om dezelfde film die volgens het Leidsch Dagblad in januari 1926 nog steeds in Leiden draait, waarin ‘de moderne wereld in Amerika [...] in al zijn moderne fouten [wordt] vertoond, ter leering en waarschuwing en toch zo gespeeld, dat met recht gezegd mag worden „dat is af”’? Dan is het dus géén verfilming van de Franse roman.

Waarom de bioscoopadvertentie gewag maakt van liaisons dangereuses, daar heb ik geen bevredigend antwoord op. Maar definitief bewijs dat ik helaas toch géén vermiste Laclos-verfilming op het spoor ben, vind ik in een advertentie in de Nieuwe Schiedamsche Courant van september 1925. Onder de titel Gevaarlijke liefde draaide in Schiedam die maand een Amerikaanse film met in de hoofdrol Mildred Davis, de vaste tegenspeelster en uiteindelijk ook echtgenote van Harold Lloyd.

Nieuwe Schiedamsche Courant 3 september 1925
Krantenkijker Gemeentearchief Schiedam
Welke film dit is, blijft nog steeds een beetje gissen. In 1924 en 1925 schijnt Davis geen film te hebben gemaakt, in 1923 wel drie. Eentje heette Condemned, daarover is weinig informatie te vinden. Een andere is Safety Last, waarvoor Gevaarlijke liefde een frappante ‘omgekeerde’ vertaling zou zijn. Maar dat lijkt onwaarschijnlijk, want het betreft hier de beroemde Harold Lloyd-comedy met deze klassieke scène:


Eerder hachelijke situaties dan riskante relaties.

De waarschijnlijkste kandidaat is dan de derde film die Davis in 1923 maakte, Temporary Marriage: de ‘plot keywords’ volgens IMDB: domestic, divorce, murder, melodrama...

Was die film door de Fransen (distributeur Pathé?) omgedoopt tot Liaisons dangereuses, en is die term daardoor in de Nederlandse bioscoopadvertentie beland? Wie het weet, mag het zeggen.

Gevaarlijke liefdes

Overigens werd de titel ‘Gevaarlijke liefde’ wel vaker voor films gebruikt. In de jaren vijftig bijvoorbeeld voor een (naar verschillende beschrijvingen te oordelen) vrij broeierig Italiaans wraakdrama dat zich afspeelde op het Siciliaanse platteland; en ook in 1910 draaide er al een film met deze titel in Nederlandse bioscopen:

Middelburgsche Courant 16 december 1910
Krantenbank Zeeland
Maar nu geef ik het op. Uitzoeken welke oorspronkelijke films er achter al deze titels schuilgaan, lijkt me onbegonnen werk...

zondag 17 december 2017

Lees dit snel!


‘Ze leest zo haastig,’ klaagde ze, ‘en toen ik vroeg waar ze zo snel had leren lezen, antwoordde ze: “Op het scherm in de bioscoop”.’
Het motto bij de roman De Zwembadbibliotheek (1988) van Allan Hollinghurst, in de vertaling van C.A.G. van den Broek. Het is een citaat uit The Flower Beneath the Foot van Ronald Firbank:
‘She reads at such a pace,’ she complained, ‘and when I asked here where she had learnt to read so quickly, she replied “On the screens at Cinemas”.’
Goed ondertitelen is meer dan alleen maar goed vertalen. Op het IDFA heb ik vorige maand bij de documentaire The Other Side Of Everything van Srbijanka Turajlic ook een cursus snellezen gekregen. De Engelse ondertitels waren daarbij in zulke korte stukjes gehakt dat ik me begon te ergeren aan het leestempo dat me werd opgedrongen, en er een enkele keer simpelweg niet in slaagde tot me te nemen wat er stond voordat de tekst alweer uit beeld was verdwenen.

Dat kwam niet doordat er zo idioot snel werd gesproken of de gesprekken een buitensporig hoge informatiedichtheid hadden. Mogelijk was de vertaling onvoldoende gecomprimeerd om rekening te houden met de leestijd van de gemiddelde (niet-Engelstalige!) bezoeker, maar in ieder geval was de tekst niet optimaal ingedeeld: zinnen die gemakkelijk in één ondertitel van 5 of 6 seconden hadden gepast, waren vaak in drie stukken gehakt die dan elk hooguit 2 seconden in beeld stonden. (Dat is een schatting: ik had geen stopwatch bij me.) Dat leidde af van de toch al iets te lange, maar verder best boeiende film.

Maar die roman van Ronald Firbank stamt uit 1923, dus op ondertitels zal bovenstaand citaat geen betrekking hebben gehad. Wel op de voorlopers ervan: de tussentitels bij stomme films. Blijkbaar werd daarbij ook niet altijd voldoende rekening gehouden met de tijd die de gemiddelde kijker nodig had om de teksten tot zich te nemen. Of misschien moesten mensen in die tijd überhaupt nog wennen aan een door anderen opgelegd leestempo.

En ach, als een mens daarvan snel leert lezen, wie ben ik dan om te klagen?

vrijdag 8 december 2017

Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar (3/3)

Het nieuws van den dag 24-09-1873
bron: Delpher 

Hier volgt het slot van ‘Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar’, de in 1873 verschenen vertaling van Bret Harte’s verhaal ‘How Santa Claus Came to Simpson’s Bar’. De tekst komt uit Het nieuws van den dag, met dank aan Delpher. En zoals blijkt uit het artikel over Bret Harte dat op 24 september in die krant verscheen, is de vertaling afkomstig uit De roman van ’t Madronodal en andere schetsenin een vertaling van Jhr. B.L. Teding van Berkhout.

De volledige tekst van dat artikel neem ik hier ook op, omdat het een interessant inkijkje geeft in hoe het werk van Harte in Nederland destijds werd ontvangen, en omdat er uitgebreid geciteerd wordt uit het voorwoord dat Teding van Berkhout bij zijn vertaling heeft geschreven. Dat is op zich al interessant: ik heb al eerder geschreven over recensenten, onder wie Clara Eggink, die in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw vonden dat vertalingen van oudere literatuur (om precies te zijn: novellen van Henry James) door de uitgever van een toelichting moesten worden voorzien, en die behoefte bestaat blijkbaar nog steeds. Zo schreef Rob van Essen naar aanleiding van de verzamelde verhalen van Saki vorige week nog in NRC:
En als dan toch gekozen wordt voor volledigheid: waarom dan geen inleiding, een biografische schets, annotaties?
Maar bij deze verhalenbundel van Bret Harte ging het om werk van een tijdgenoot, een schrijver die aan het begin van zijn carrière stond:
„Bret Harte is nog jong” (geb. in 1837) zegt Teding van Berkhout, „en hetgeen hij geschreven heeft, geeft blijken van scherpe opmerkingsgave en kracht van teekening, die nog meer beloven voor de toekomst. 
Blijkbaar was de culturele afstand tussen Nederland en de Amerikaanse goudkust (of zelfs: tussen Nederland en willekeurig welk ander taalgebied?) toen nog zo groot dat de vertaler zijn auteur eerst aan de lezers wilde voorstellen.

Zijn tweede trant

Overigens zou Harte de artistieke belofte niet inlossen: zijn beste werk lag al achter hem, en zelfs ‘How Santa Claus Came to Simpson’s Bar’ behoort daar al niet meer toe. Henry James schreef in 1872 over dit verhaal dat het ‘beter was dan alles in zijn “tweede trant”, maar niet zo goed als het werk in zijn eerste’. En zo goed als in zijn beginfase (zijn ‘eerste trant’) zou zijn werk ook niet meer worden, integendeel: de kwaliteit van zijn werk ging in de daaropvolgende decennia gestaag achteruit. Harte bleef schrijven over Californië, maar deed dat van steeds grotere afstand: eerst de Amerikaanse oostkust en daarna Europa, waar hij vanaf 1878 permanent verbleef – en razend populair werd, veel populairder dan in zijn vaderland. Zo stond zijn werk steeds verder af van de realiteit van het Wilde Westen waar hij in geen jaren was geweest, verkocht het steeds minder goed in Amerika en was het steeds meer op de sensatie geschreven – maar werd hij in Europa intussen populairder dan Mark Twain. Volgens Wallace Stegner was zijn populariteit altijd ‘groter naarmate zijn lezers minder af wisten en verder af woonden van de mijnen’ waarover hij schreef.

Mogelijk komt het mede daardoor dat Teding van Berkhout en de journalist van Nieuws van den dag Harte roemen om zijn realisme. Wat wij nu lezen als dickensiaanse sentimentele komedie, verhalen met een lach en een traan (zoals Teding van Berkhout het zelf ook beschrijft), werd toen schijnbaar als hoogste vorm van realisme ervaren:
Humorist in den waren zin van het woord doet hij ons door een enkelen pennetrek de tranen in de oogen komen, terwijl nog zoo even de gulle lach ons om de lippen speelde, waar hij met levendige, forsche kleuren de ruwe dikwijls zoo naïeve, zeden schildert der pioniers van het „Verre Westen,” verven zoo frisch, en juist gekozen, dat het niet anders kan of we moeten overtuigd zijn, dat Bret Harte ons een panorama ontrolt, hetwelk, zoo het ons te beurt viel dezelfde natuurtooneelen te zien en dezelfde karakters te ontmoeten, wij voor sprekend gelijkend zouden erkennen
Hij formuleert het omslachtig, maar zegt dus: Harte geeft je het gevoel dat zijn kleurrijke figuren naar het leven getekend zijn, dat je in Californië in elke bocht van de weg dit soort types tegenkomt.

Hier is eerst de volledige tekst van het artikel, uit Het nieuws van den dag van 24 september 1873, dat ook verder nog een paar interessante observaties bevat; daaronder volgt het slot van Bret Harte’s sinterklaasverhaal.

Bret Harte

Men zegt dat Bret Harte, de Amerikaan, die op het oogenblik als letterkundige reeds niet meer aan Amerika alleen behoort, maar ook voor duizenden in de oude wereld een geliefd auteur werd, een Hollander van afkomst is. ’t Kan zeer wel zijn. Bret is een doopgift van een echten Yankee, maar de Harte’s komen we nu en dan in de Oprechte Haarlemsche nog wel eens tegen. Doch wat van meer belang is, Bret Harte is naar den geest aan onzen Hildebrand verwant. ’t Is een neef uit de far West, opgegroeid onder de goudzoekers van Californië, maar familie is ’t zeker. Ik wed dat Hildebrand ook niet weigeren zal hem als zoodanig te erkennen. Zelfs valt ’t in het oog dat de ruwheid, die Harte bij den beschaafden vertooner van de Camera Obscura doet achterstaan, min of meer vergoeding vindt in de kracht en de stoutheid waarin hij dezen overtreft.
      Ook met Dickens heeft Bret Harte soms een merkwaardige overeenkomst. Ter nauwernood zou ik durven volhouden, dat deze zijn meerdere is, waar ’t geldt der verbeelding haar volle vlucht te laten.
      De Humor vau Dickens is gemoedelijker, edeler en vooral fijner, doch Bret Harte is evengoed als zijn Engelsche broeder ingewijd in sommige diep verholen geheimen van de zienlijke en onzienlijke wereld. Ik ben daar zóo zeker van, dat ’t voor mij weinig waarde heeft of Dickens werkelijk al dan niet gezegd heeft, wat sommigen hem in den mond leggen, namelijk dat Bret Harte de eenige zou wezen, die zijn trant ten volle gevat heeft. Wij hebben zulke verzekeringen niet noodig. Wij weten bovendien hoe slecht gefundeerd zij meestal zijn. Ik ken hier te lande minstens negen menschen van wie Professor Cobet heet gezegd te hebben: „Ziedaar nu de eenige man die Grieksch kent.”
   
De vader van Bret Harte was een schoolmeester en hij zelf na diens dood eerst winkelbediende, toen ook schoolmeester, daarna gouddelver in de mijnen van Sonora en vervolgens redacteur van een dagblad, – altijd met zijne moeder tot zijn last en geen anderen cent in zijn zak, dan dien hij een uur of wat te voren verdiend had. Op ’t oogenblik is hij vast medewerker aan een veelgelezen tijdschrift te Boston. Wat hij daarin achtereenvolgens schreef, vond naast menig vroeger product van zijn geest gemakkelijk zijn weg in de wereld. Ook in onze taal werd ’t een en ander overgebracht en welwillend ontvangen. De firma Nygh, te Rotterdam, gaf zijn “Sensatie-romans”, Noorduijn en Zn. te Gorkum zijn „zegen van het brullend Kamp,” en nu onlangs verscheen eene voortreffelijke vertaling van zijn „Roman van ’t Madronodal,” door Jhr. R. L. Teding van Berkhout bewerkt, bij Æ. Timmerman te Nijmegen. ’t Is bepaald deze laatste bundel die ons aanleiding geeft, hier over Bret Harte te spreken.
   
Vraagt mij niet, waarom deze verzameling van kleinere en grootere losse stukken den hoogdravenden titel van „De roman van ’t Madronodal” voert. Al nemen wij het aanhangsel „en andere schetsen” nauwgezet in acht, dan komen we er nog niet. ’t Is wel waar, in ’t geen er dan over blijft komt ’t Madronodal werkelijk voor, maar daarmee is de zaak nog niet uitgemaakt.
      Doch wat doet dat er toe? Bret Harte is de schrijver, en de bundel draagt zijn naam. Die naam op zich zelf is ons genoeg. In elken regel van zijn hand trilt zijn persoonlijk leven en denken.
      „Bret Harte is nog jong” (geb. in 1837) zegt Teding van Berkhout, „en hetgeen hij geschreven heeft, geeft blijken van scherpe opmerkingsgave en kracht van teekening, die nog meer beloven voor de toekomst. Humorist in den waren zin van het woord doet hij ons door een enkelen pennetrek de tranen in de oogen komen, terwijl nog zoo even de gulle lach ons om de lippen speelde, waar hij met levendige, forsche kleuren de ruwe dikwijls zoo naïeve, zeden schildert der pioniers van het „Verre Westen,” verven zoo frisch, en juist gekozen, dat het niet anders kan of we moeten overtuigd zijn, dat Bret Harte ons een panorama ontrolt, hetwelk, zoo het ons te beurt viel dezelfde natuurtooneelen te zien en dezelfde karakters te ontmoeten, wij voor sprekend gelijkend zouden erkennen.”
      „Ruw is de omgeving, waarin Bret Harte zijne personen doet optreden, ver van de, dikwerf zoo oppervlakkige, beschaving der Europeesche maatschijppij, [sic] ruw uit den aard der zaak de taal die hij hen doet spreken. Ruw waar het noodig is, maar niet gemeen. En opmerkenswaardig is het dat hij, die dat ruwe ongepolijste leven zelf heeft doorleefd, die zoowel het houweel als den zettershaak heeft gehanteerd, ons een gelaat vertoont, welks regelmatige, fijn besneden trekken, groote, donkere, fonkelende oogen, klassiek gevormde neus, en kleine mond, omlijst door lange zijden knevels en bakkebaarden, ons eerder doet denken aan den bewoner der aristocratische wijken van Londen, dan aan den door ontbering en moeitevollen arbeid geharden zoon van het Goudland”.
      Ik voor mij heb tegen dit oordeel geen enkele bedenking. Al wat Teding van Berkhout in de voorrede van Harte’s schrijftrant zegt, vond ik in den bundel terug. En wat zijn uiterlijk aangaat... Nu ja, dit is stellig dat van een fatsoenlijk man, wanneer het portret op het titelblad, ’t welk ons achter de ruiten van elken boekwinkel zoo vriendelijk en vrijmoedig aankijkt, met het orgin[i]eel overeenkomt.
   
De Humor is geen gril van den menschelijken geest; ’t is een zijner edelste uitingen. Doch er kleeft hem iets grilligs of, laat mij liever zeggen, iets vagabondeerends aan. De Humor is, gelijk zijn naam aanduidt, schalks en speelsch als snelvlietend water. Hij kan niet lang op dezelfde plaats blijven. Hij kan niet lang dweepziek tegen de groene kanten schuiven. ’t Eenige wat hij altijd door kan, is springen over puntige steenen, voortglijden langs gladde rotswanden, stoeien met de dartele visschen en de menschen uitlachen, die een poging doen om hun deftige gezichten te spiegelen in zijn onrustig kristal. Ze zien wel hun beeld maar wilder, minder gekamd en gepommadeerd dan ’t feitelijk is, een beeld zooals de natuur ’t zou gemaakt hebben als men haar stil haren gang had laten gaan.
      Dit verklaart waarom de Humor van Bret Harte ons zoo stout en ruw voorkomt, ofschoon wij met Teding van Berkhout erkennen dat hij nooit gemeen is en wij toch door dat stoute en ruwe te meer worden aangetrokken. Het terrein is zoo gunstig als eenig land of landstreek ooit wezen kan. Al de kleuren, die een kunstenaar maar verlangen kan, zijn aanwezig. Deugd en ondeugd liggen vlak naast elkaar. Ongegeneerde onbeschaafdheid grenst onmiddellijk aan gemaakte preutschheid. Eene goedhartigheid, die alle voorstellingen van beter uitgeslapen wezens te boven gaat, huwt zich aan moord en doodslag om een kleinigheid. Losheid van zeden gaat hand aan hand met jongensachtige verlegenheid. Doch door die contrasten, die telkens en telkens verrassender wendingen van den Humor te voorschijn roepen, wordt de werkelijkheid te meer aanschouwelijk; juist daarin, en niet in de nauwkeurigheid waarmee het kostuum der pioniers geteekend en hunne hutten opgemeten zijn, juist daarin herkennen wij het Goudland, het land der verwachtingen en teleurstellingen, der ongedachte uitkomsten en der onfeilbare voorspellingen, het land van zegen en vloek, van den gouden of den ijzeren ketting.
      Bret Harte doopt zijn penseel altijd in de kleuren, die hij in dat land verzameld heeft, ook als hij personen en toestanden buiten Californië schetst.
   
Eerstdaags hopen we in het feuilleton een hoofdstuk uit den roman van ’t Madronodal af te drukken. Wij doen ’t uit ingenomenheid met Bret Harte als de beste aanbeveling van zijn werk.


Bret Harte
Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar

En dan volgt hier het slot van het verhaal. De vorige afleveringen staan hier en hier.
Aflevering 5, Het nieuws van den dag 30-09-1873

V
   
Een sprong van Dick, een sprong van het paard met de vier beenen in de lucht, dat de grond er van dreunde, een cirkel van rondvliegende hoeven, een onstuimig terugdeinzen der toeschouwers, een aanleggen der rinkinkende sporen, een sprong vooruit, en toen de stem van Dick ergens in den donkeren nacht:
      „All right.”
      „Ga niet den benedenweg terug, als je tijd hebt ten minste. Houd haar niet in bergaf. Om vijf uur zijn we aan de rivier. Vooruit maar!”
      Flikkerend vloog het vuur uit de steenen, dreunend weerklonk de hoefslag op ’t rotsige pad, en Dick was verdwenen.
   
Bezing, o Muze, den tocht van den geen vrees kennenden Richard! Tokkel uwe citer, o Muze der dolende ridders en helden, en bezing de heilige zending, de dappere daden, den strijd tegen boeven en schurken, en den levensgevaarlijken rit van Simpson Bar’s kloekmoedigsten ridder! — Helaas! Ze trekt haar neusje voor hem op, de kieskeurige Muze! Niets wil ze weten van de geelkleurige, knokige merrie, of haar in lompen gehulden, brutalen berijder, en ’k moet hem wel volgen in proza, te voet!
      Het sloeg éen uur, en hij was nog niet verder gekomen dan den Ratelslangheuvel; want Jovita had niet gerust voor ze hem eene algemeene repetitie had laten bijwonen van al hare gebreken en ondeugden. Driemaal had ze gestruikeld. Tweemaal had ze haar Romeinschen neus in een rechte lijn weten te brengen met de teugels, en met volkomene verachting van gebit en sporen, het veld met hem in gehold. Tweemaal had ze gesteigerd en was telkens bij die gelegenheid achterovergeslagen, en tweemaal had de vlugge Dick ongedeerd zijn zit weer hernomen, voordat ze hem had kunnen ontsnappen.
      Een half uur verder aan den voet van den langen heuvel bevond zich de Ratelslangkreek. Dick wist dat daar het beslissend punt lag voor de mogelijkheid zijner onderneeming, zette zijne tanden vast op elkaar, drukte zijn ros de beenen stevig tegen de zijden, en veranderde zijne tactiek van de verdediging in die van een heftigen aanval. Dol van woede rende Jovita den heuvel af in hollende vaart, terwijl de listige Richard den schijn aannam of hij haar wilde inhouden, en geveinsde kreten van angst slaakte. Het is onnodig er bij te voegen dat Jovita des te harder liep. Evenmin behoef ik den juisten tijd op te geven, waarin zij de afdaling van den heuvel ten einde bracht; staat die niet opgeteekend in de jaarboeken van Simpson’s Bar? ’t Is voldoende op te merken dat zij in het volgende oogenblik, zoo scheen het Dick ten minste toe, op de overstroomde oevers van de Ratelslangkreek door het water plaste.
      Zooals hij verwacht had, was het moment van snelheid, dat ze verkregen had, zoo groot dat het haar onmogelijk was op te houden, en de merrie ferm in elkaar zettende drukte hij haar nog eens de sporen in de zijde, en stortte zich met een geweldigen sprong in de den snelvlietenden stroom. Eenige oogenblikken zwemmens en spartelens, en Dick haalde ruimer adem aan den overkant van den kreek.
      De weg die nu volgde tot den Rooden Berg toe was tamelijk effen. Hetzij dat het koude bad in de Ratelslangkreek haar onstuimig vuur wat bekoeld had, of dat zij de meerderheid van harer berijder stilzwijgend erkende, tenminste Jovita verspilde niet langer hare overvloedige krachten in nuttelooze grillen. Eéns nog maar deed ze eene poging om Dick er af te werpen, maar het was slechts de kracht der gewoonte, en éénmaal sprong ze op zij, maar dat was omdat ze schichtig werd van een pas geverfd houten kerkje, aan den kant van den grooten weg. Vooruit maar, altijd maar vooruit; over groeven en slooten, over hoopen steenen en grint, en kletterend wierpen hare hoeven en wolk van zand omhoog en doorploegden het jeugdige, pas ontloken gras.
      Een licht zweet bedekte hare zijden, eens of tweemaal had ze even gekucht, maar van vermindering van snelheid of kracht geen spoor.
      Tegen twee uur daalde hij den Rooden Berg af, tien minuten later haalde hij de snelrijdende Pionier diligence in, en ten half drie hief Dick zich met een luiden zegekreet in zijne stijgbeugels omhoog.
      Door de vaneen gescheurde wolken glinsterden de starren, en ginds op de vlakte rezen twee torens vóór hem op, verhief zich een vlaggestok en teekende zich een gebroken lijn van zwarte voorwerpen af tegen den donkeren grond. Vroolijk liet Dick zijne sporen rinkinken, en deed zijne lasso gieren door de lucht. Vooruit, o, Jovita! en het volgende oogenblik renden zij Tuttleville binnen en hielden op voor de houten gaanderij van het Hôtel der Natiën.
      Wat er dien nacht te Tuttleville voorviel behoort strikt genomen niet tot dit verhaal. In ’t kort echter kan ik den lezer mededeelen, dat Dick, na Jovita aan de zorg te hebben toevertrouwd van een halfslapenden staljongen, dien zij oogenblikkelijk op hoogst onaangename wijze door hare hoeven tot een staat van volkomen bewustheid bracht, met den eersten kellner het hôtel weer verliet om eene wandeling te maken door de slapende stad.
      Hier en daar waren de vensters nog verlicht van een enkel dans- en speelhuis, dat zij met groote zelfverloochening links lieten liggen, om stil te blijven staan voor verscheidene gesloten winkels, wier eigenaars zij door aanhoudend gebons op de deur en wal aangewend gebruik hunner longen uit hun bed wisten te krijgen, zoodat ze eindelijk den winkel weder open sloten en hunne waren voor hen uitstalden.
      Somtijds werden ze begroet met een salvo van verwenschingen, maar meestal toch ontvangen met belangstelling en lust om hen zooveel mogelijk te helpen aan het geen zij noodig hadden, zoodat de ontmoeting gewoonlijk besloten werd met een hartigen dronk. Het sloeg drie uur toen Dick eindelijk zijn laatste bezoek had afgelegd, en, met een zakje van caoutchouc over de schouders gebonden, keerde hij naar het hotel terug.
      Doch ook daar nog wachtte hem eene hinderlaag, hem gelegd door eene vertegenwoordigster van het vrouwelijk schoon, gewapend met al de bekoorlijkheden eener rijke kleeding, eener vleiende, overredende tong en het verleidelijk Spaansch accent. Maar Dick weerstond de verzoeking heldhaftig, en terwijl hij den sirene met een lach zijn laatste goudstuk in den schoot wierp, sprong hij in den zadel en rende de eenzame straat af naar buiten in de nog eenzamer vlakte, waar weldra het licht, de donkere lijn der huizen, de torens en de v!aggestok achter hem in de aarde verdwenen, alsof ze nooit hadden beslaan.
      De storm was gaan liggen, de lucht helder en koud, en de palen, die den weg aangaven, duidelijk herkenbaar, maar toch was ’t half vijf in den morgen, voordat hij het houten kerkje op den grooten weg had bereikt. Om haar het klimmen te besparen had hij zich een omweg getroost, die echter zoo modderig bleek te zijn, dat Jovita er bij elken stap tot over de enkels inzakte. ’t Was een slechte voorbereiding voor de twee uren bergopwaarts die haar nog overbleven, maar met haar gewone blinde woede nam Jovita de beenen weder op, en rende een drie kwartier later over de vlakke baan, die hem binnen een half uur naar de Ratelslangkreek brengen zou.
      Luchtig liet Dick de teugels rusten op den nek zijner merrie, sprak haar een vriendelijk woordje toe, en begon een liedje te neuriën. Plotseling deed het paard een zijsprong, die een minder ervaren ruiter uit den zadel zou hebben geworpen. Een donkere gedaante had zich aan de teugels vastgeklemd, en op ’t zelfde oogenblik rees de spookachtige figuur van een ruiter en paard voor hen op en versperde hun den weg.
      „Handen op” beval deze tweede verschijning met een vloek. Dick voelde de merrie onder zich sidderen en op het punt van neder te zinken. Hij wist wat het betekende, en dat er geen tijd te verliezen was.
      „Op zij, Jack Simpson, ik ken je, jou verdoemde dief. Uit den weg, of —”

      (Wordt vervolgd)

Aflevering 6, Het nieuws van den dag 01-10-1873
      (Slot.)
Hij kon den zin niet voleindigen. Bijna loodrecht steigerend verhief Jovita zich in de lucht, deed een verschrikkelijken sprong en, terwijl ze met een enkele beweging van haar boosaardig hoofd de gedaante van zich afslingerde, wierp zij zich met ontembare woede op het beletsel dat haar in den weg stond. Eene verwensching, een pistoolschot — ros en roover rolden over den grond, en Jovita was een honderd ellen ver weg.
      Maar de trouwe rechterarm van den ruiter, door een kogel getroffen, viel slap en hulpeloos langs hem neer. Zonder zijne vaart te vertragen nam hij de teugels met de linkerhand over. Eenige oogenblikken later was hij echter verplicht af te stijgen om den singel aan te halen, die in den overhoedschen aanval bijna was losgeraakt. ’t Spreekt van zelf dat, in den toestand waarin hij zich bevond, ook dit een geruimen tijd ophield. Niet dat hij bang was vervolgd te worden, maar het oog naar boven slaande, zag hij, dat in het oosten de sterren reeds begonnen te verbleeken, en de bergspitsen in het verschiet niet langer spookachtig wit maar nu somber zwart uitkwamen tegen de reeds minder donkere lucht. Dreigend staarde het naderende daglicht hem aan.
      Met slechts één denkbeeld vervuld vergat hij de pijn zijner wonde, wierp zich op nieuw op zijn paard, en rende voort naar de Ratelslangkreek. Jovita’s adem werd korter en korter; Dick wankelden in den zadel; en steeds helderder kleurde de lucht zich in het oosten.
      Rij door, O! Richard; ren voort, Jovita; en gij, o! Dageraad, toef nog een poze!
      Suizend en bruisend gonsde het hem in de ooren, zijne oogen schemerden, zijn hoofd duizelde — nog in dolle vaart den heuvel af, en daar ligt de kreek!
      Droomde hij, of had hij een verkeerden weg ingeslagen? Was dat de kreek, die hij, een uur of wat geleden, had overgezwommen? ’t Was eene rivier, een breede, onweerstaanbare stroom geworden, wiens gezwollen wateren zich stelden tusschen hem en het doel zijner reis.
      Voor de eerste maal dien nacht voelde Richard den moed zich ontzinken. De rivier, de Ratelslangheuvel, het al lichter en lichter wordende oosten, in bonte verwarring draaiden ze hem voor de oogen. Hij moest ze even sluiten om tot bezinning te komen.
      In dat oogenblik rees, hij wist niet hoe of waardoor, het beeld voor hem op van het kleine kamertje in Simpson’s Bar, met het knaapje dat daar sliep aan de zijde zijns vaders.
      Met geweld opende hij de oogen, trok ijlings zijn jas uit, rukte zich de laarzen van de voeten, en, terwijl hij pistool en zadel van zich afslingerde, omknelde hij de met schuim bedekte zijden van Jovita met zijn bloote knieën, en wierp zich met een woest geschreeuw in ’t midden der bruingele, bruisende wateren. En aan den tegenoverliggenden oever verhief zich een kreet van ontzetting, toen ruiter en paard na een oogenblik worstelens te midden der ontwortelde boomen en ’t drijvend, dwarrelend hout weggevaagd werden door den onweerstaanbare vloed.
   
Met een schok ontwaakte de Ouwe uit zijn slaap en sprong op. ’t Vuur in den haard was vergaan, de kaars flikkerde nog even in de pijp, en daar stond iemand buiten en klopte.
      Hij opende de deur, maar deinsde terug met een kreet op ’t zien van de druipende, half naakte gedaante, die zich wankelend vasthield aan den deurpost.
      „Dick?”
      „Stil! Is hij al wakker?”
      „Neen — maar Dick —”
      „Hou je mond, ouwe gek! Haal me wat whiskey, gauw!”
      De Ouwe vloog naar binnen en kwam terug met — een ledige flesch!
      Dick zou gevloekt hebben, maar zijne krachten begaven hem. Hij wankelde, greep krampachtig den knop van de deur vast, en wenkte den Ouwe.
      „In dat pak, daar zit iets voor Johnny. Neem het er af. Ik kan niet.”
      De Ouwe sneed de riemen los en legde het pak voor de voeten van den uitgeputten man.
      „Doe ’t open, gauw!”
      Met bevende vingers maakte hij ’t open. Eenige stukken speelgoed rolden er uit — ruw en goedkoop, ’t is waar, maar toch blinkend van klatergoud en schitterende kleuren. Een er van was gebroken; een ander, vrees ik, onherstelbaar bedorven door ’t water; en op een derde helaas! Een wreede, bloedroode vlek.
      „Veel moois is ’t niet, dat moet ik bekennen,” zei Dick met een treurig gezicht. „Maar we hebben ons best gedaan… Neem ze mee, Ouwe, en stop ze in zijn kousen, en zeg hem — zeg hem, je weet wel — hou me vast, Ouwe.”
      De Ouwe ondersteunde hem zoo goed als hij kon.
      „Zeg hem,” herhaalde Dick, met een klein zwak lachje — zeg hem dat Sinterklaas voor Johnny heeft gereden.”
      En zoo, beslijkt, gescheurd, ruig van haar en ruig van baard, met den eenen arm slap langs zijne zijde hangende, sleepte Sinterklaas zich voort naar Simpson’s Bar en viel bij het eerste huis in zwijm.
      Langzaam volgde hem de dageraad op den voet. Vriendelijk tintte het Kers[t]zonnetje den bergtop met den rooskleurigen gloed eener onuitsprekelijke liefde; en zoo teeder was de blik, dien het wierp op Simpson’s Bar, dat de gansche berg, alsof men hem betrapt had op een edelmoedige daad, van verlegenheid bloosde.

woensdag 6 december 2017

Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar (2/3)


Het nieuws van den dag 24-09-1873
bron: Delpher

Onbezonnenheid met koffie

Vandaag het tweede deel van Bret Harte’s Sinterklaas/Kerstverhaal ‘Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar’. Maar eerst dit:

Bret Harte speelt ook een kleine rol in de roman die ik dit jaar met Rob Kuitenbrouwer heb vertaald, Angle of Repose van Wallace Stegner – als De fundamenten van ons leven verschenen bij Lebowski. In die roman pluist de historicus in ruste Lyman Ward (in zekere zin Stegners alter ego) het leven uit van zijn grootmoeder Susan Ward, die eind negentiende eeuw actief was als schrijfster en illustratrice (ook geënt op een bestaande persoon – niet de grootmoeder van Stegner, maar Mary Hallock Foote).

Zij trouwt met een mijnbouwkundig ingenieur die carrière probeert te maken in het nog maar half ontgonnen westen van Amerika. De roman vertelt hoe zij daar samen met hem en ver van de geciviliseerd wereld een bestaan probeert op te bouwen. Voordat ze trouwen, staat ze aan de oostkust al aan het begin van een veelbelovende carrière als illustratrice voor gerenommeerde auteurs als Longfellow en Hawthorne. Op zeker moment schrijft ze haar verloofde in het verre westen bijvoorbeeld dat ze in Boston heeft gedineerd met de fine fleur van de Amerikaanse literatuur: John Greenleaf Whittier, James Russell Lowell, Oliver Wendell Holmes en… Bret Harte, ‘de gevierde auteur uit Californië’ die ‘uitgebreid [had] geantwoord op haar belangstellende vragen over de Sierra Nevada’.

Zo zijn er meer historische figuren die Stegner af en toe ten tonele voert om zijn hoofdpersonen in tijd en milieu te plaatsen. Optredens die variëren van korte zwijgende cameo’s voor beroemde personen als Mark Twain en generaal Ulysses Grant tot grotere, sprekende rollen voor in Nederland vrij onbekende figuren als de geoloog Clarence King. Zelfs Henry James maakt bijna zijn opwachting. Gezien zijn statuur in de Amerikaanse letteren is het onvermijdelijk dat zijn naam herhaaldelijk valt, maar helaas: de enige keer dat Susan dineert in een huis waar hij logeert, blijft hij op zijn kamer en laat zich ‘verontschuldigen vanwege een eerdere onbezonnenheid met koffie’. Ze is daar overigens niet per se rouwig om:
Ik was half opgelucht dat hij verstek liet gaan, is dat niet vreselijk? Ik zou doodsbang zijn geweest om met hem te moeten praten.
Wie niet?

Susan in het stof

Ook de persoon Bret Harte krijgt niet meer dan een minieme figurantenrol, maar zijn werk speelt op de achtergrond een niet onbeduidende rol in deze roman. Harte’s verhalen over mijnwerkers hebben mede het beeld gevormd dat Susan Ward van het Westen heeft voordat ze erheen trekt. In feite leveren zijn verhalen het romantische decor waartegen Stegner het realisme van zijn eigen fictie afzet. Dat blijkt heel expliciet als Susan in Californië aankomt en door haar man in een diligence wordt meegenomen naar hun huis in de mijnwerkerskolonie New Almaden: ‘zij waren de enige passagiers,’ lezen we,
Maar alle hoop op een romantische rit à la Bret Harte vervloog al snel. Een grote stofwolk omsloot de koets. Ze liet Oliver de gordijnen dichttrekken, maar daardoor werd het zo heet als in een oven. Na drie minuten stoven liet ze hem de gordijnen weer half opendoen. Zo waren ze verzekerd van zowel hitte als stof en grotendeels verstoken van uitzicht.
Dat contrast tussen de sentimenteel-romantische wereld van Harte’s verhalen en de harde, hete realiteit, het verstikkende stof van het echte Amerika is natuurlijk precies waar het Stegner om te doen is. Het Westen van Bret Harte is een soort Anton Pieck-versie van de werkelijkheid, bevolkt door personages die zo plat als een dubbeltje mogen zijn, als ze het hart maar op de goede plaats hebben en ons vermaken met een lach en een traan. Zo heeft zijn werk bijgedragen aan de mythologisering van het ‘Wilde’ Westen en de mannen die dat hebben ‘getemd’. De mythe van rouwdouwers met een hart van goud, die mekaar helpen als het erop aankomt en het met zijn allen wel rooien. Een mythe die Stegner met zijn verhaal wil ontkrachten.

Dat doet hij niet door er fel tegen van leer te trekken, maar subtieler: door in weliswaar soms lyrische taal – waarin zijn diepe verknochtheid aan het westelijke landschap doorklinkt – maar verder zonder sensatiezucht, broodnuchter en wars van heldenverering een beeld te schetsen van gewone mensen die proberen een beschaafd bestaan op te bouwen in een harde wereld. Enerzijds winnen brute kracht en hebzucht het in die wereld vaak van beschaving en fatsoen; anderzijds worden Stegners personages in hun streven naar succes vaak gefnuikt door hun eigen zwaktes. En zo zet Stegner een ferme kanttekening bij de American Dream en het ideaal dat iedere krantenjongen in dit land van onbegrensde mogelijkheden wel miljonair kan worden.

Ruw waar het noodig is, maar niet gemeen

Stegner probeert het werk van Harte ook niet op een makkelijke manier te ‘ontmaskeren’. Hij beseft dat Harte’s fictie de bril was waardoor de mensen van zijn tijd hun werkelijkheid bekeken, en dat ook Susan die bril niet zo gemakkelijk kon afzetten. Als zij uiteindelijk zelf romans gaat schrijven, over de zilvermijnen in Leadville, zijn die in wezen net zo romantisch en onrealistisch als de verhalen van Harte. Dat blijkt wel uit de beschrijving van haar werk en zelfs uit Susans eigen commentaar erop – én uit de echte romans van Mary Hallock Foote waarop ze zijn gebaseerd. (Rob en ik hebben die wel proberen te lezen, maar we kwamen er eerlijk gezegd niet doorheen).

Als Susan geconfronteerd wordt met de minder aangename kanten van het leven in datzelfde Leadville, blijkt ze helemaal niet op te kijken van het geweld waarvan haar man haar probeert af te schermen –  juist doordat Bret Harte’s verhalen haar daarop hebben voorbereid:
Ze was verrast dat het haar niet verraste. Dit was min of meer wat ze van een mijnwerkersstadje had leren verwachten, van de verhalen van Bret Harte en Leslie’s Illustrated Newspaper.
Als haar verteld wordt over een lynchpartij, vindt ze daarin dus slechts ‘een bevestiging van haar ideeën over wat de vrouw van een ingenieur in de mijnen kon verwachten’.

Stegner corrigeert dit subtiel: de verhalen van Harte mogen haar dan hebben voorbereid op het geweld in zo’n mijnwerkersstadje, die voorbereiding blijkt ontoereikend als het echtpaar later, van veel dichterbij, met ander bruut geweld wordt geconfronteerd. Onnadrukkelijk maar indringend laat Stegner dan merken dat echt geweld nog wel wat anders is dan kleurrijke kampvuurverhalen over achtervolgingen en lynchpartijen. Dan worden de gruwelen ineens werkelijkheid op een manier die niets Anton Pieckerigs meer heeft.

Afgetobde tronies

Verderop in het boek komt het werk van Bret Harte nog één keer terug, als Susan, haar man en zijn assistenten ’s avonds laat om het kampvuur zitten bij een moeizaam irrigatieproject dat ze in Idaho van de grond proberen te krijgen. ‘Ik kan me een vrij goede voorstelling maken van hoe dat eruitzag,’ schrijft kleinzoon Lyman Ward dan,
want niet veel later heeft grootmoeder de drie mannen in precies die houding getekend voor een serie getiteld Life in the Far West – de beste die ze ooit heeft gemaakt, vind ik, nog beter dan de Mexicaanse tekeningen. In een verhandeling over kunstgeschiedenis zag ik ze laatst omschreven als ‘fraaie voorbeelden van het gouden tijdperk van de graveerkunst’. Deze tekening had ze de titel Goudzoekers gegeven, en als onderschrift had ze er een paar verzen van Bret Harte bij gezet:
        Het kampvuur heeft een valse blos geverfd
        Op ingevallen wangen
        En afgetobde tronies, diep doorkerfd,
        Van wie naar goud verlangen
In hun moedeloze stemming waren die afgetobde tronies niet geveinsd. Ze hadden hard gewerkt en hard gehoopt en hun teleurstelling was navenant. Maar wie denkt dat ze louter naar goud verlangden, doet hun tekort.
Weer vallen fictie en werkelijkheid dus samen, en weer gebruikt Stegner het vooral als een manier om te laten zien hoe de fictie ons beeld van de werkelijkheid bepaalt – en vertekent. Want ‘wie denkt dat ze louter naar goud verlangden, doet hun tekort’.


Biles en bokkem

En eerlijk is eerlijk: dat laatste is eigenlijk ook de moraal van Bret Harte’s verhalen over mijnwerkers. Ruwe kerels, blanke pit. ‘Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar’ is één lange illustratie van die gedachte. Dat wordt in deze tweede aflevering al stilaan duidelijk. De aandoenlijke conclusie volgt morgen en ik garandeer: u zult het niet droog houden, maar een vertederde glimlach evenmin kunnen onderdrukken.

Drie woorden die me opvielen in de vertaling. Ten eerste de steenpuist: biles staat er in het Engels, wat eerder iets met gal is. Ik weet niet hoe de vertaler bij een steenpuist uitkwam, maar het is zeer op zijn plaats. Harte voegt die extra klacht natuurlijk toe voor komisch effect, en een steenpuist is inherent grappig. [Edit: dat krijg je als je te haastig schrijft: de jongen verhaspelt de namen van álle kwalen die hij heeft, dus natuurlijk ook die biles. Dat zijn dus boils, ofwel gewoon steenpuisten. Dat had Teding van Berkhout blijkbaar beter door dan ik, met mijn internet en elektronische woordenboeken.]

De bokkem (bokking) zijn in het Engels red herons: rode reigers, als je de woordenboeken zou geloven. De vertaler had goed door dat die jongen gewoon red herrings verhaspelt, dus bokkem lijkt me een goede vertaling. Ik kan moeilijk inschatten of hij de verhaspeling wegvertaald heeft, of verdisconteerd door te kiezen voor een regionale, platte variant van bokking.

Tot slot de opmerking dat het ‘zeker een uur of zestien heen en terug’ is: ‘it’s nigh on fifty miles, the round trip hither and yon’. De vertaler heeft niet slaafs woordjes omgezet, maar over zijn tekst nagedacht. Veel Nederlandse lezers weten niet meteen hoe lang je te paard gemiddeld over vijftig mijl doet, dus heeft hij dat verduidelijkt met ‘zestien uur’. Dat is handig, want dan zijn we net zo diep onder de indruk als de Amerikaanse lezers wanneer straks blijkt dat Dick de rit in nauwelijks meer dan de helft van die tijd heeft volbracht.

Oeps... spoiler alert?

Bret Harte
Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar


III
„En is bezig een sausje te kooken, om ons mede te doopen. Pas op, jongens, ga op zij van de deur.”
      Want op ’t zelfde oogenblik hoorde men de klink oplichten; langzaam ging de deur open, en eene stem zeide, „Kom binnen, ’tis buiten zoo nat”
      De stem was noch die van den Ouwe noch die zijner vrouw. ’t Was de stem van een kleinen jongen, een zwak, schril stemmetje, waarbij het schrille en zwakke echte werd afgewisseld door dat onnatuurlijk schor geluid, ’t welk slechts het gevolg kan zijn van een zwervend leven, en een te vroeg ontwikkeld gevoel van onafhankelijkheid.
      Het was het gezichtje van een kleinen jongen, dat tot hen opzag, — een gezichtje dat men lief en zelfs fijn had kunnen noemen, ware het niet misvormd door de zichtbare sporen van innerlijke verdorvenheid, uitwendige vuilheid en een hard levenslot. Hij had zich eene deken om de schouders geslagen en kwam klaarblijkelijk pas uit zijn bed.
      „Kom erin” herhaalde hij „en maak geen leven. De Ouwe is daar binnen en staat te praten met moe,” vervolgde hij, naar een aangrenzend vertrek wijzende dat de keuken scheen te zijn, van waar de stem van den Ouwe in smeekende, deemoedige tonen tot hen doordrong.
      „Blijf van me af,” snauwde hij kregel Dick Bullen toe die hem had opgenomen met deken en al, en deed alsof hij hem in het vuur wilde gooien, „laat me los verdoemde ouwe gek, zeg ik je.”
      Met een half gesmoorden lach zette Dick Bullen Johnny weer op den grond, terwijl de mannen, op de teenen binnensluipende, aan een lange tafel van ruwe planken gingen zitten, die het midden van de kamer besloeg.
      Met een deftig gezicht stapte Johnny naar de kast en haalde verschillende artikelen voor den dag, die hij op tafel zette.
      „Daar heb je whiskey, en beschuit, en bokkem, en kaas” zeide hij, even aan de kaas knabbelende. „En suiker” waarvan hij en route met een klein en heel vuil pootje een handjevol in zijn mond stak. „En tabak. Er zijn ook nog gedroogde appels, daar op die planken, maar ik ben er geen liefhebber van. Appels maken me zoo dik. Ga jullie nou je gang maar” eindigde hij, „en wees niet bang. Ik geef geen zier om de ouwe vrouw. Ze heeft niks met me te maken. ’t Is mijn eigen moeder niet.”
      Hij stond op den drempel van een kamertje, of liever een hokje, dat van het hoofdvertrek was afgeschoten en in een donkeren hoek een klein bed bevatte. Een oogenblik bleef hij naar het gezelschap staan kijken, terwijl zijn bloote voetjes onder de deken uitpiepten, en knikte hen toe.
      „Hallo, Johnny! Je gaat toch niet weer naar bed, he?” zei Dick.
      „Ja wel, secuur” antwoordde Johnny, vast besloten.
      „Wel, wat scheelt er aan, kereltje?”
      „’k Ben ziek.”
      „Ziek? Hoe dat?”
      „’k Heb de koorts. En winterhanden. En rummetiek.” En Johnny verdween. Een oogenblik later voegde hij er bij, in den donker, klaarblijkelijk reeds onder de lakens gedoken — „en een steenpuist.”
      Onder een verlegen stilzwijgen zagen de mannen elkander aan en staarden in het vuur. Zelfs het uitlokkend feestmaal vóor hen scheen niet bij machte hen iets vroolijker te maken, toen het smeekend geluid van den Ouwe zijn stem, die in het vuur zijner rede onbewust luider was gaan klinken, hunne aandacht trok.
      „Jazeker. Je hebt groot gelijk. Natuurlijk zijn ze dat. Een troep luie, dronken dagdieven, en die Dick Bullen, die is de ergste van allen.
      „’t Is of ze gek zijn hier maar zoo in te komen vallen, en een ziek kind, en geen eten in huis. Dat ’s juist wat ik zei: „Bullen,” zeg ik „je bent bezopen” zeg ik „of je bent gek,” zeg ik, „om op zoo’n idee te komen. Ben jij een man, Staples,” zeg ik, „en denk je soms dat ik je onder mijn dak lawaai zal laten maken, en de jongen, die me daar zoo ziek als een hond op zijn bed leit?”
      „Maar daar hielp niks aan; komen zouden en komen moesten ze. Wat kun je ook anders verwachten van zulk gemeen volk, als hier in het dorp woont.”
      Een schaterend gelach van de mannen volgde op deze ongelukkige tirade.
      Of ze het in de keuken gehoord hadden, of dat de vertoornde echtvriendin van den Ouwe alle andere wijzen om hare verachting en verontwaardiging uit te drukken had uitgeput, kan ik niet zeggen, maar plotseling werd er eene achterdeur met donderend geweld dichtgeslagen, en een oogenblik later kwam de Ouwe weer voor den dag, gelukkig onbewust van de oorzaak der laatste uitbarsting van hilariteit, en glimlachte zoetsappig.
      „De vrouw zei, nou ik thuis was kon ze wel eens even naar Mrs. Mc-Fadden overwippen om een buurpraatje te houden,” gaf hij met een pedant voorkomen van onverschilligheid te kennen, terwijl hij met hen aan tafel plaats nam.
      Het grappige dezer episode werkte zoo gunstig op hen, dat het verlegen gevoel, ’t welk op het punt stond zich van het gezelschap meester te maken, spoedig was geweken, en de hun eigene vrijpostige onbeschaamdheid met de terugkomst van den gastheer ook in al hare tracht wederkeerde.
      Het ligt niet in mijn plan den feestavond in al zijne bijzonderheden weder te geven. De weetgierige lezer zal gaarne de getuigenis aannemen, dat het gesprek zich kenmerkte door dezelfde verstandelijke ontwikkeling, dezelfde verhevene vlucht van denkbeelden, denzelfden eerbied voor gevoelens van andersdenkenden, dezelfde kieschheid van uitdrukking, en dezelfde streng-logische bewijsvoering, vooral later op den avond, welke men gewoonlijk aantreft bij soortgelijke bijeenkomsten van het mannelijk geslacht, ook in meer beschaafde streken en onder meer gunstige omstandigheden. Geen glas werd er gebroken, bij de volkomen afwezigheid van dergelijke broze voorwerpen; geen drank uitgestort op de tafel, wegens de kostbaarheid en schaarschte van dat artikel.
      ’t Was bijna middernacht, toen er een kleine storing in het feest plaats greep.
      „Stil even,” zei Dick Bullen, terwijl hij zijn hand opstak.
      Men hoorde het kregelig-smeekend stemmetje van Johnny, dat uit het afgeschoten hokje kwam.
      „O, vâ-tje!”
      De Ouwe sprong haastig op en verdween in het kamertje. Weldra kwam hij terug.
      „Zijn rummatiek heeft hem weer erg te pakken,” zeide hij tot opheldering „en hij wou graag wat gewreven worden.”
      Hij nam de groote whiskeykruik van de tafel en schudde haar. Ze was leeg. Met een verlegen lach zette Dick Bullen zijn tinnen kroes neder, en de anderen volgden zijn voorbeeld. De Ouwe keek of er nog wat in was gebleven, en zei bemoedigend — „Dat zal wel genoeg zijn, denk ik. Hij heeft niet veel noodig. Een tientellens geduld en in een ommezien ben ik terug.” Waarop hij met een flanelletje in zijn hand en de whiskey in het hokje verdween.
      De deur sloot slecht, en de volgende samenspraak was duidelijk hoorbaar.
      „Nou, mijn joggie, waar doet hij ’t meeste zeer?”
      „Soms hier van boven, en dan weer hier van onderen, vadertje, maar toch ’t meest van boven en van onderen. Wrijf nou maar, vâ-tje.”
      Eene pauze, die een krachtige wrijving scheen aan te duiden, volgde. Toen begon Johnny weer:
      „Zijn ze daar nog binnen, vadertje?”
      „Ja, mijn ventje.”
      „Morgen is ’t Kerstmis, is ’t niet, vader?”
      „Ja, mijn manneke. Hoe is ’t er nou mee?”
      „Beter. Wrijf u nog een beetje, wat lager, daar. Wat is dat, Kerstmis, eigenlijk? Wat wil dat zeggen?”
      „O, ’t is maar zoo’n dag.”

      (Wordt vervolgd)

Aflevering 4, Het nieuws van den dag 29-09-1873
 IV
Deze veelzeggende definitie scheen Johnny klaarblijkelijk voldoende, want er volgde weer een stille tusschenpoos van wrijven. Weldra begon Johnny op nieuw.
      „Ma zeit dat overal, behalve bij u, iedereen mekaar mooie dingen geeft op Kerstmis, en ze vond het niks aardig van u. Ze zeit dat er een man is dien ze Sinterklaas noemen, geen gewone man, weet u, maar een soort van chineesche man, en die door de schoorsteen komt ’s nachts voor Kerstmis en mooie dingen aan de kinderen brengt — aan de jongens zooals ik. En die stopt hij ze dan in der schoenen en kousen. Ze wou me maar wat wijs maken, is ’t niet waar vader? — Waar bent u nou aan ’t wrijven, dat is een heel verkeerde plaats. — Ze heeft dat maar verzonnen, denk ik, om u en mij te plagen, zou ze niet? — Daar niet wrijven. — Wat scheelt er aan, vadertje?”
      In de diepe stilte, die er over het huis scheen gekomen te zijn, was het geruisch der pijnboomen en het vallen der regendroppels op de bladeren duidelijk hoorbaar.
      Op zachter toon ging het stemmetje van Johnny voort:
      „Weest u maar niet bedroefd, vadertje: ’k zal wel gauw weer beter zijn. Wat doen de jongens daar ginder?”
      De Ouwe zette de deur op een kier en keek erdoor. Gezellig zaten zijn gasten bij elkaar, en op de tafel lag een smal lederen zakje met een stuk of wat zilveren muntstukken er in.
      „Aan het wedden, geloof ik, een of ander spelletje. Ze zijn heel rustig,” antwoordde hij Johnny, en begon weer te wrijven.
      „’k Wou dat ik mee kon doen en wat geld winnen,” hernam Johnny, peinzend, na eene pauze.
      Met radde tong herhaalde de Ouwe hetgeen klaarblijkelijk een vaste formule bij hem was, dat als Johnny maar wachten wou totdat hij eens op een rijke ader stootte, hij een heelen hoop geld zou krijgen, enz. enz.
      „Ja, dat ’s goed,” zei Johnny, „maar u doet het niet. En of u op die ader stoof of dat ik het win, komt op hetzelfde neer. ’t Is allebei geluk. Maar van die Kerstmis is toch machtig aardig, is ’t niet? Waarom noemen ze het Kerstmis?”
      Was het uit instinctmatigen schroom dat zijn gasten hem zouden hooren, of een vaag gevoel van onvoegzaamheid, het antwoord van den Ouwe werd zoo zacht uitgesproken dat het buiten de kamer niet hoorbaar was.
      „O, ja,” zei Johnny, met eenigszins verminderde belangstelling. „’k Heb wel eens vroeger van hem gehoord. Zoo, nu is ’t genoeg, vadertje. ’k Heb lang zoo’n pijn niet meer als straks. Stop me nou maar eens lekker onder die deken. Zoo. En,” voegde hij er half fluisterend bij, „blijf nou bij me zitten tot ik in slaap val.”
      Om zich te vergewissen dat aan zijn bevel voldaan werd, haalde hij de ene hand van onder de deken te voorschijn, hield zijn vader bij zijne mouw vast, en ging op zijne zijde liggen om te gaan slapen.
      Een tijd lang wachtte de Ouwe geduldig, totdat de ongewone stilte in huis zijn nieuwsgierigheid opwekte. Zonder zich van het bed te verwijderen opende hij behoedzaam met de hand, die hij vrij had, de deur, en wierp een blik in de voorkamer.
      Tot zijn niet geringe verbazing was ze donker en verlaten. Maar op hetzelfde oogenblik viel een smeulend stuk hout op den haard uit elkaar, en bij de plotseling opschietende vlam zag hij de gedaante van Dick Bullen bij het half vergane vuur zitten.
      „Hallo.”
      Dick schrikte, stond op en kwam met eenigszins onvaste schreden naar hem toe.
      „Waar zijn de jongens?” vroeg de Ouwe.
      „Het ravijn in om een luchtje te scheppen. Binnen een minuut zijn ze weerom. Ik zit hier op hen te wachten. Waarom kijk je me zoo aan, Ouwe?” voegde hij er bij met een gedwongen lach; „denk je dat ik dronken ben?’
      Men had den Ouwe de vooronderstelling kunnen vergeven, want Dick zijn oogen waren vochtig en hij had een hoogrode kleur.
      Nog een oogenblik bleef hij staan, slenterde toen naar den schoorsteen terug, gaapte, rekte zich uit, knoopte zijne jas dicht, en lachte.
      „Zooveel drank was er niet, Ouwe. Blijf maar zitten,” vervolgde hij, toen de Ouwe eene beweging maakte om zijne mouw uit Johnny’s hand los te krijgen. „Maak geen complimenten. Blijf maar waar je bent; ’k ga zo dadelijk heen. Daar heb je ze al.”
      Er werd zachtkens op de deur getikt. Dick haastte zich haar te openen, knikte zijn gastheer een goedennacht toe, en verdween.
      De Ouwe was hem gevolgd, als de hand hem nog niet steeds bij zijn mouw had vastgehouden. Hij kon ze gemakkelijk losgemaakt hebben; ’t was maar een klein, zwak, uitgeteerd handje. Maar misschien juist omdat dat zoo klein, zwak en uitgeteerd was, liet hij die gedachte varen, schoof zijn stoel dichter bij het bed, en liet zijn hoofd op het kussen rusten. In deze weerlooze houding werd hij door de macht zijner vroegere plengoffers overmand.
      De kamer draaide hem voor de oogen, verdween, kwam op nieuw terug, verdween toen voor goed, en liet hem achter in diepen slaap.
      Onderwijl had Dick de deur gesloten, en zich bij zijne kameraden gevoegd.
      „Klaar?” vroeg Staples.
      „Klaar,” antwoordde Dick. „Hoe laat is het?”
      „Over twaalven,” was het antwoord. „Kun je het rooien, denk je? ’t Is zeker een uur of zestien, heen en terug.”
      „Jawel,” hernam Dick, kortaf. „Waar is de merrie?’
      „Bill en Jack houden haar vast op den weg.”
      „Laten ze haar dan nog een minuut langer houden,” zei Dick.
      Hij keerde terug en ging zonder gedruisch te maken het huis weer binnen. Bij het licht van de flikkerende kaars en het hafvergane vuur zag hij, dat de deur van het vertrekje open stond. Op zijne teenen sloop hij er heen en keek naar binnen. De Ouwe lag achterover in zijn stoel, en snorkte uit al zijn macht, terwijl zijne voeten een rechte lijn vormden met zijn opgetrokken schouders, met het hoofd op de borst en zijn hoed over de oogen. Naast hem op een smalle houten krib lag Johnny, als een bakerkind in zijne deken gerold, waaruit niets tevoorschijn kwam dan een klein stukje van zijn voorhoofd waarover, vochtig van het zweet, zich een enkel lokje krulde van zijn hoofdhaar.
      Dick Bullen deed een stap vooruit, aarzelde, en wierp over zijn schouder heen een blik naar de verlaten kamer. Alles was stil. Plotseling nam hij een besluit, streek met beide handen zijn zware knevels van elkaar en boog zich over het slapende jongske. Maar juist op het oogenblik dat hij dit deed, kwam er een schelmsche windvlaag, die lang op de loer had gelegen, den schoorsteen uitstuiven, schoot op den haard toe, blies de bijna uitgedoofde sintels weder aan en verlichtte de kamer met zulk een onbescheiden gloed, dat Dick beschaamd en verlegen de vlucht nam.
      Op den weg stonden zijne makers hem te wachten. Twee van hen waren in de duisternis aan het worstelen met een groot, onbehouwen gevaarte, dat, toen Dick nader kwam, de gedaante aannam van een groot, geelachtig paard. ’t, Was de merrie. Ze was geen toonbeeld van schoonheid. Van af haar Romeinschen neus tot haar uitstekende heupen, van af haar hooggewelfden rug, verborgen onder de stijve machillas van een Mexicaansch zadel, tot haar dikke, knokkige beenen toe, was er geen enkele schoonheidslijn aan het geheele dier te bespeuren. In het wit der half blinde maar uiterst kwaadaardige oogen, in de vooruitstekende onderlip, in de wonderlijke, vieze kleur, lag niets dan leelijke nijdige valschheid.
      „Nou jongens,” riep Staples, „op zij, en maak dat je er op komt. Pak haar ferm in de manen en zorg dat je dadelijk de stijgbeugels beet krijgt. Klaar!”

      (Wordt vervolgd.)


dinsdag 5 december 2017

Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar (1/3)


Het nieuws van den dag 25-09-1873
bron: Delpher 

Cadeautje!

Er stonden vroeger veel feuilletons in Nederlandse kranten. Vaak van buitenlandse auteurs, maar slechts zelden van Henry James. Niets wijst erop dat hij in Nederland ooit bijzonder populair is geweest. Ik ben al blij als ik eens één verhaal van hem in een oude Nederlandse krant vind – laat staan twee. Een kinderhand is gauw gevuld.

Nee, dan Bret Harte (1836-1902). Tegenwoordig wordt hij niet meer zoveel gelezen en een beetje beschouwd als een tweederangs Mark Twain, maar in de negentiende eeuw waren zijn verhalen over pioniers en goudzoekers ontzettend populair. Ook in Nederland, te oordelen naar de hoeveelheid feuilletons van zijn hand die je tot ver in de twintigste eeuw in kranten aantreft. Hij werd vergeleken met Dickens, met wie hij een bepaalde sentimentaliteit en vette ironie gemeen heeft; en op 25 september 1873 noemde Het nieuws van den dag hem ‘naar den geest van onze Hildebrand verwant’.

Het nieuws van den dag 24-09-1873
bron: Delpher

Die lofzang was de opmaat naar een feuilleton van Harte dat vanaf de volgende dag in zes afleveringen in die krant verscheen: een kort verhaal getiteld ‘Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar’.

Ik stuitte gisteren toevallig op dit verhaal, en omdat het als pseudo-sinterklaasverhaal nu pseudo-actueel is en ook best vermakelijk, en er geen Zwarte Piet in voorkomt, zodat ik daar tenminste geen gezeik mee kan krijgen, en omdat het in deze vorm iets prettiger leest dan op Delpher, zet ik de hele tekst de komende dagen in drie afleveringen online; dus steeds twee afleveringen van het zesdelige feuilleton tegelijk. Aan het slot volgt misschien ook nog een downloadbare versie van het hele verhaal.

Over de vertaling valt natuurlijk van alles te zeggen – nog helemaal afgezien van de vraag wat Sinterklaas in een Amerikaanse mijnwerkerskolonie doet – maar daarvoor ontbreekt me nu de tijd. (Eén ding slechts, uit de eerste alinea: de vertaler wist blijkbaar niet wat tules zijn. Kan ik wel inkomen, want ik had er ook nog nooit van gehoord. Na wat zoekwerk vermoed ik dat je moet denken aan zoiets als ‘rietkragen’ of misschien liever ‘biezen’.) In ieder geval heeft de vertaler, voor zover ik in de gauwigheid kon zien, de tekst niet ingekort, zoals in de negentiende eeuw nog weleens gebeurde.

De naam van die vertaler staat nergens vermeld, maar in het artikel over Bret Harte op 24 september is sprake van een onlangs verschenen ‘voortreffelijke vertaling van zijn “Roman van ’t Madronodal” door Jhr. R.L. Teding van Berkhout bewerkt’, waarbij enigszins bevreemd wordt opgemerkt dat het niet zozeer een roman als wel een ‘verzameling van kleinere en grootere losse stukken’ betreft. En het artikel besluit met de aankondiging dat ze bij de krant ‘eerstdaags’ (wat uiteindelijk dus de volgende dag blijkt te zijn) ‘hopen in het feuilleton een hoofdstuk uit den roman van ’t Madronodal af te drukken’. De journalist begrijpt duidelijk niet goed dat het door hem besproken boek, voluit getiteld De roman van ’t Madronodal en andere schetsen, niet als roman maar als verhalenbundel is bedoeld; in ieder geval lijkt het mij duidelijk dat het bedoelde ‘hoofdstuk’ dit verhaal is – en de vertaler hiervan dus die jonkheer Teding van Berkhout.

Die Teding van Berkhout moet een loot zijn van een voornaam geslacht, over wiens verdere literaire of andere activiteiten ik op internet nog geen informatie heb kunnen vinden. Van De roman van ’t Madronodal en andere schetsen bevindt zich gelukkig wel een exemplaar in de Koninkblijke Bibliotheek; volgens de KB-catalogus blijkt Teding van Berkhout ook nog wat andere werken te hebben vertaald, en luiden zijn initialen niet R.L. maar B.L: Bernard Lodewijk.

[Update, 18-12-17: inmiddels is me gebleken dat Teding van Berkhouts vertalingen, zowel De roman van ’t Madronodal als De zegen van Brullend Kamp, niet alleen beschikbaar zijn in de KB, maar ook op Google Books, waar je een goede PDF van beide boeken kunt downloaden.]

Ik heb deze tekst wat haastig moeten voorbereiden; correcties zijn welkom. Spelling en interpunctie heb ik niet willen moderniseren. Het Engelse origineel is te lezen op Gutenberg.org.

Hier de eerste twee afleveringen; morgen deel drie en vier. Dan wil ik kort ingaan op de rol die het werk van deze auteur speelt in de roman Angle of Repose (De fundamenten van een leven) van Wallace Stegner, die Rob Kuitenbrouwer en ik dit jaar hebben vertaald. Daarna het slot van het verhaal, en misschien ook nog iets meer over de vertaler ervan.

(En nou niet gaan zeiken dat er géén Zwarte Piet in het verhaal voorkomt, a.u.b.)

Bret Harte
Hoe Sinterklaas reed te Simpson’s Bar

Aflevering 1, 25-09-1873.

I
Het had geregend in het dal van den Sacramento. De North-Fork was buiten hare oevers getreden en de passage over de Ratelslangkreek was gestremd. De weinige rotsblokken die de richting aanduidden, in welke men ’s zomers de rivier doorwaadde, waren bedolven onder een breede watervlakte, welke zich uitstrekte tot aan het lagere gebergte. De diligence ging niet verder dan tot Granger; de laatste brievenmail had men in de tules moeten achterlaten, terwijl de postiljon zijn leven met zwemmen had gered. „Eene uitgestrektheid,” merkte de „Sierra Avalanch” met zekeren somberen lokalen trots aan, „zoo groot als geheel Massachusetts staat nu onder water.” Op de hooger gelegen landen was het weder niet beter. Het slik lag voeten hoog op den bergweg; wagens, die noch door physieke kracht noch door zedelijke drangredenen van den slechten weg waren af te brengen, dien zij verkozen hadden in te slaan, verstopten den toegang, en het spoor naar Simpson’s Bar was afgebakend door paarden die niet verder konden, en vloeken, even zwaar als vergeefsch. En verder op, afgesneden en ontoegankelijk, beregend en beslijkt, geteisterd door den wind en bedreigd met overstrooming, hing, op den kerstavond van ’t jaar 1862, Simpson’s Bar als een zwaluwnest tegen een uitstekende punt aan van den Tafelberg, en trilde in den storm.
      Toen de nacht zijne vleugelen had uitgespreid over de kleine kolonie, flikkerde hier en daar een mat licht door den dikken nevel, en wees de plaats aan der hutten, aan weerskanten van den grooten weg, nu doorploegd door bandelooze stroompjes en beken voortgezweept door den wispelturiger wind. Gelukkig was het meerendeel der bevolking vereenigd in den winkel van Thompson, rondom een gloeiende kachel gelegerd, waartegen zij stilzwijgend zaten te spuwen, wellicht volgens het algemeen aangenomen begrip dat deze uiterst gezellige wijze van omgang het spreken volkomen overbodig maakt. Om de waarheid te zeggen, waren sedert lang alle hulpmiddelen tot verstrooiing in Simpson’s Bar volkomen uitgeput; hoog water had aan de gewone bezigheden in de groeve en op de rivier voorloopig een einde gemaakt, en het noodzakelijke gevolg daarvan, gebrek aan geld en gebrek aan whiskey, maakten ook elke minder betamelijke vermakelijkheid zoo goed als onmogelijk. Zelfs Mr. Hamlin had gaarne de plaats vaarwel gezegd met de vijftig dollars in zijn zak, ’t ellendige beetje dat hij had kunnen innen van de groote sommen, door hem in de voorspoedige uitoefening van zijn moeitevol beroep gewonnen. „Als men me vroeg,” verklaarde hij later, „als men me vroeg om een lief, vriendelijk dorpje aan te wijzen, waar iemand, die van een spelletje houdt, en niet om geld behoeft te geven, allerprettigst terecht kan komen, zou ik zeggen, ga naar Simpson’s Bar, maar voor een jongmensch, die een groote familie te zijnen laste heeft, zijn de verdiensten te weinig.” Daar Mr. Hamlins familie voornamelijk bestond uit meerderjarige vrouwelijke leden, halen we deze opmerking meer aan als een bewijs van zijn humoristische beschouwingswijze, dan wel van den juisten omvang zijner verplichtingen.
      Wat daarvan zij, de onbewuste voorwerpen zijner satirieke ontboezeming zaten dien avond bij elkaar in die lustelooze onverschilligheid, welke geboren wordt uit werkeloosheid en gemis aan prikkelende middelen. Zelfs het plotseling geklots van paardehoeven voor de deur was niet in staat er hen uit op te wekken. Alleen Dick Bullen hield even op met het uitkloppen van zijne pijp en lichtte het hoofd op; maar niemand anders van de groep gaf eenig blijk van belangstelling in, of herkenning van den man die binnentrad.

(Wordt vervolgd.)

Aflevering 2, 26-09-1873.

II
Het was dan ook in ’t geheel geen vreemde figuur voor het gezelschap, en algemeen bekend in Simpson’s Bar onder den genoegzamen naam van den Ouwe. Een man van misschien een vijftig jaar; tamelijk grijs en dun van haar, maar met een frissche, jeugdige kleur. Een gelaat, op welks beweeglijke trekken eene uitdrukking van sympathie lag, waarop echter niet te rekenen viel, met een kameleonachtige vaardigheid om zich naar de kleurschakeeringen der gevoelens en denkwijzen van anderen in een oogwenk te schikken. Klaarblijkelijk had hij juist eenige vroolijke metgezellen verlaten, en merkte hij in ’t eerst het ernstige voorkomen niet op van de groep, maar klopte schertsenderwijs zijn naasten buurman op den schouder, en liet zich op een ledigstaanden stoel nedervallen.
      „Nooit zoo iets grappigs gehoord, jongens! Je kent Smiley wel; ginder van den overkant — Jim Smiley, de aardigste kerel van heel Simpson’s Bar? Nou, Jim was juist bezig me de prachtigste historie die je bedenken kunt te vertellen van —”
      „Smiley is een — gek,” viel hem een sombere stem in de rede.
      „Een vervloekte — lammeling,” voegde een ander er bij op een graftoon.
      Er volgde eene stilte op deze beslissende uitspraak. De Ouwe wierp een snellen blik op de overigen. Langzaam nam zijn gezicht een andere uitdrukking aan: „Ja ’t is zoo” zeide hij, na een oogenblik nadenkens, „zeker jawel, je hebt gelijk, hij is wel zoo wat een lammeling en een halve gek. Zeker.” Een minuut of wat zei hij niets, als in pijnlijke gedachten verzonken over de lamlendigheid en de dwaasheid van den weinig populairen Smiley. „Vuil weertje, he?!” ging hij voort, nu met volle zeilen met den stroom van de publieke opinie meevarende. „Beroerde boel, geen werk en geen geld. En morgen is ’t Kerstmis!”
      Er ontstond een kleine beweging onder de mannen op het hooren van deze aankondiging, maar of zij voldoening beteekende of afkeer was niet duidelijk.
      „Ja” ging de Ouwe voort op den graftoon, dien hij bij de laatste woorden zonder het zelf te weten had aangenomen — „jawel, Kerstmis, en van avond is ’t Kerstavond. En nou docht ik zoo bij mezelf — dat ’s te zeggen jongens, ’t was maar zoo’n invallende gedachte, weet je — dat jullie misschien wel lust zoudt hebben om van avond bij mij te komen en er een lolletje van te maken. Maar je zult wel geen lust hebben, denk ik, he? Niet veel zin in misschien?” voegde hij er bij, en keek met angstig verlangen zijne kameraden beurtelings in de oogen.
      „Wel, wat zal ik je zeggen,” antwoordde Tom Flynn, een beetje opgewekter. „Wie weet wat we doen. Maar je vrouw, Ouwe? Wat zeit die er van?”
      De Ouwe aarzelde. Zijne ervaring van het huwelijksleven was niet van de gelukkigste geweest, en Simpson’s Bar wist dat.
      Zijn eerste vrouw, een mooi, klein, aardig wijfje, had in het geheim erg veel verdriet gehad van de jaloersche achterdocht van haar echtgenoot totdat hij op een goeden dag het geheele dorp uitnoodigde met hem mede naar zijn huis te gaan, om getuige te zijn van hare ontrouw. Toen zij daar kwamen, vonden ze het schuchtere schepseltje druk bezig aan haar huishouden, en trokken verlegen en uit het veld geslagen af.
      Maar het fijngevoelig vrouwtje herstelde zich niet spoedig van den schok haar door deze buitengewone beleediging toegebracht. Met moeite kreeg zij in zoo verre hare kalmte van geest terug, dat zij de kracht had om haar minnaar uit de kast, waarin ze hem verborgen had, te verlossen en met hem op den loop te gaan. Ze liet een jongentje achter van drie jaar om haar echtgenoot over zijn verlies te troosten. Den Ouwe zijn tegenwoordige vrouw was zijne keukenmeid geweest. Ze was groot, grof en getrouw, maar alles behalve gemakkelijk.
      Voor hij antwoorden kon, had Joe Dimmick het woord al opgevat, en verklaarde met groote vrijmoedigheid dat het „den Ouwe zijn eigen huis” was, en riep alle Hemelsche machten tot getuigen, dat, als hij in het geval verkeerde, hij zich niet geneeren zou te vragen wie hij verkoos, al was er zijn eeuwige zaligheid mee gemoeid. Geene macht der Hel, zoo besloot hij, zou het hem kunnen beletten. Dit alles uitgesproken met eene kracht en kernachtigheid van uitdrukking, die noodzakelijkerwijze in deze vertolking veel geleden hebben.
      „Natuurlijk. Zeker, ’t spreekt van zelf,” zeide de Ouwe met een toestemmend gebaar. „Daar is geen kwestie van. ’t Is mijn eigen huis, geen spijker dien er ik niet zelf heb ingeslagen. Wees maar niet bang voor haar, jongens. ’t Kan wel gebeuren dat ze wat opspeult, zoo als de vrouwen wel meer doen, maar eindelijk draait ze toch bij.”
      Heimelijk vertrouwde de Ouwe op de kracht van de whiskey en een moedig voorbeeld om, deed ’t geval zich voor, er zich door heen te slaan.
      Tot nog toe had Dick Bullen, het orakel en de belhamel van Simpson’s Bar, stil gezwegen. Hij legde de pijp uit de mond. „Ouwe, hoe maakt het je Johnny? Me dunkt, hij zag er niet zoo flink uit als anders, laatst toen ik hem op den berg met steenen zag gooien naar de Chineezen. Hij scheen er niet zoo veel plezier in te hebben als vroeger. Gisteren zag ik er een troep bij je voorbijgaan, — en toen dacht ik nog zoo bij mezelf, hoe jammer dat Johnny er nou niet is! Als hij soms ziek is, weetje, dan zouden wij maar in den weg zijn.”
      De vader, klaarblijkelijk getroffen niet alleen door de roerende schildering van ’t geen Johnny ontberen moest, maar ook door de nadenkende kieschheid van den spreker, haastte zich hem te verzekeren dat Johnny wat beter was en dat „zoo’n beetje levendigheid hem goed zou doen.”
      Hierop stond Dick op, rekte zich eens uit, en met de woorden. „Al klaar. Vooruit dan maar, Ouwe! ’t Gaat er op los,” holde hij met een sprong en een hoeraatje de deur uit naar buiten in den donkeren nacht.
      Bij het doorgaan van de voorkamer greep hij een vlammend stuk hout van den haard. Zijn voorbeeld werd gevolgd door de rest van de partij, die elkaar verdringende haastig naar buiten stoof, en voor dat de overblufte eigenaar van Thompson’s koomenijs- en drankwinkel merkte wat zij in hun schild voerden, was de kamer verlaten.
      ’t Was een pikdonkere nacht.
      De eerste windvlaag de beste had hunne geïmproviseerde toortsen reeds uitgebluscht, en slechts de roodgloeiende stukken hout, die in de duisternis heen en weder zwaaiden als dronken dwaallichtjes, teekenden hun koers.
      Hun weg voerde hen naar het Dennenravijn, aan bet einde waarvan een breede, lage, met boomschors gedekte hut half in den berg begraven lag.
      Het was de woning van den Ouwe, en tevens de ingang tot den tunnel waarin hij werkte, de enkele malen dat hem zulks overkwam.
      Hier bleef de troep een oogenblik staan, uit kiesche beleefdheid voor hun gastheer, die hijgende achteraan kwam.
      „Misschien zou ’t goed zijn, als je nog een oogenblik wachtte, terwijl ik naar binnen ga om te zien of de boel klaar is,” zei de Ouwe, met een onverschillig voorkomen, niet volkomen in harmonie met zijn innerlijk gevoel.
      De wenk werd gaarne opgevolgd; de deur opende en sloot zich weder achter den gastheer, en met den rug tegen den muur geleund, bleven de gasten geduldig wachten en luisterden.
      Een tijd lang hoorden zij niets dan het druppen van een dakgoot boven hun hoofd, en het geruisch der tegen den wind worstelende takken der boomen. Eindelijk begonnen zij zich minder op hun gemak te gevoelen, en op fluisterenden toon deelde de een den ander zijne vermoedens mede.
      „Je kunt er op aan dat ze hem den eersten lik heeft gegeven!”
      „Ze zal hem in den tunnel gestopt hebben, denk ik, en den ingang gebarricadeerd.”
      „Ze heeft hem onder gekregen, en gebruikt hem nou als kussen om op te zitten,” opperde een derde.

(Wordt vervolgd.)

Populairst de afgelopen 30 dagen

Populairst aller tijden ooit: