Zoeken in deze blog

woensdag 1 november 2017

Rumoer om dode dichter

Na de oorlog valt in Nederlandse kranten de naam van Henry James vaker in besprekingen van toneel-, film- en tv-bewerkingen dan in artikelen over zijn eigenlijke werk. En net als zijn werk lokken die bewerkingen tegengestelde reacties uit: van de hoogste lof tot felle kritiek. Eerder schreef ik hier al dat de Nederlandse opvoering van Brieven van een dichter in het seizoen 1961/62 groot succes had: de voorstelling kreeg goede kritieken, werd na een jaar nog eens hernomen en vormde de aanleiding voor een tv-opname (op basis van een andere bewerking van hetzelfde boek).

Nieuwe Leidsche Courant 19-01-1962
bron: Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Maar dat wil niet zeggen dat deze voorstelling van alle kritiek verschoond bleef. De criticus van de Nieuwe Leidsche Courant werd er niet door geboeid en constateerde dat dat ook voor een rumoerig deel van de zaal gold.

Nieuwe Leidsche Courant 19-01-1962
bron: Historische Kranten, Erfgoed Leiden en Omstreken

Wel genoot hij dus van het spel van Caro van Eyck. Welke krant ik ook las, haar prestatie kregen alom lof. En dat Johan Schmitz niet tegen zijn rol was opgewassen, komt ook vaker in recensies terug.

O Heer, wat zijt Gij groot

Dit op The Aspern Papers gebaseerde stuk was niet de eerste Nederlandse toneelopvoering van een werk van James. Eind jaren veertig maakte Charlotte Köhler furore met een solovoorstelling gebaseerd op The Turn of the Screw. Het is gissen, maar zou het succes van die voorstelling eraan hebben bijgedragen dat deze novelle enkele jaren later in vertaling werd uitgebracht?

Van de solovoorstelling waarmee Köhler vanaf 1947 in het theater stond, vond ik in krantenarchieven overwegend positieve kritieken. Typerend is deze korte bespreking in de Nieuwe Schiedamsche Courant:

Nieuwe Schiedamsche Courant 1 april 1948
bron: Gemeentearchief Schiedam - Krantenkijker

Het portret van Köhler in De locomotief: Samarangsch handels- en advertentie-blad was al even lyryisch.

De locomotief: Samarangsch handels- en advertentie-blad
bron: Delpher

Toch was er ook wel kritiek. In november stond Köhler met haar Waan of werkelijkheid in Leiden, en misschien kreeg ze ook toen van het publiek een ovatie, maar de recensent van de Nieuwe Leidsche Courant was er niet erg over te spreken: 
Mevr. Köhler is nog steeds één van onze beste kunstenaressen en haar succes was groot. Toch heeft ze ons niet voldaan. De stijl was zoek. Het was geen eenmanstoneel, het was ook geen gewone voordracht. Het was eenmanstoneel op ’n stoel en daardoor kreeg het iets hybridisch. De techniek, anders zo uitstekend, was een beetje slordig. De drie hoofdstemmen, twee vrouwenstemmen en de neutrale vertelstem, liepen nogal eens door elkaar. Zinnen werden vaak onnodig gebroken door een rust. Heeft mevr. Köhler het zó druk, dat er te weinig tijd overblijft om te oefenen?
   Door haar ‘toneelspel’ wist ze echter toch de zaal te boeien, maar daardoor werd de kracht aan het woord ontnomen en gelegd in het spel en trad de toneelspeelster in de plaats van de voordrachtskunstenares. En dat is bedenkelijk.
Dat staat dan weer in schril contrast met een bespreking van eerder dat jaar, nota bene in dezelfde krant. De recensent stelt daarin de vraag waar de grens ligt tussen waarheid en verbeelding: heeft de gouvernante echt spoken gezien, of speelt haar verbeelding haar parten? En hij vervolgt dan:
Hier verder over uit te weiden zou slechts te kort doen aan de litteraire waarde van en de bewonderenswaardige schoonheid, waarmede de kunstenares deze mysterieuze fantasie heeft gebracht. Ons past slechts een devoot stamelen: ‘O Heer, wat zijt Gij groot, dat Ge mensenkinderen hebt geschapen met zulk een talent’.
Dat zijn nog eens recensies waar je als acteur je bed voor uitkomt.

Charlotte Köhler
bron: Vrouwenlexicon KNAW


Henry Games

Het lezen van oude toneelrecensies doordringt mij vooral van de vluchtigheid van die kunstvorm. Het blijft moeilijk om je louter op basis van besprekingen een beeld te vormen van een voorstelling van toen. Maar dat Köhler met haar voordrachten destijds het publiek wist te boeien, lijkt me duidelijk.

Een aardige running gag in veel recensies van deze voorstelling is overigens de spelling van de naam van Christine D’Haen. Zij had James’ novelle voor Köhler vertaald en bewerkt, maar was bij de pers waarschijnlijk nog niet zo bekend. Haar naam kom je in allerlei verschillende spellingen tegen, waarbij ze soms zelfs van geslacht wisselt: Kristine en Christian D’Haen zijn nog maar twee verschillende spellingen die ik in één krant (de Nieuwe Leidsche Courant) aantrof.

Maar goed, volgens De waarheid was de voorstelling ook gebaseerd op een boek van Henry Games...

De waarheid 02-04-1948
bron: Delpher

Recensent M.v.L. was trouwens een stuk complimenteuzer voor deze voordracht dan zijn collega enkele jaren later voor de novelle zelf, die niet aan zijn communistische maatstaven voldeed. La Köhler wist blijkbaar zelfs stalinistische ijzervreters voor zich in te nemen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Populaire berichten