Zoeken in deze blog

woensdag 22 november 2017

Waterproof spelling

In de Bosboom-Toussaint-straat in Amsterdam had je vroeger op de hoek tegenover café Toussaint ook nog een restaurant Bosboom, beide van dezelfde eigenaars. (Bosboom is inmiddels verdwenen.)

Die ondernemers hadden het goed begrepen: geen of-of, maar en-en. Precies wat Maurice de Hond dus níet begreep, blijkens zijn tot mislukken gedoemde (en gelukkig allang weer vergeten) voorstel om de korte ei af te schaffen. Dat is geen spellingsvereenvoudiging, dat is verschraling. Dat is net zo doodzonde als het verdwijnen van restaurant Bosboom, waar het prima eten was (is het in Toussaint nog steeds).

Wij van de Vereniging voor het Behoud van Alles zeggen: niks afschaffen. Niks of-of – en-en is de leuze. Wij houden van keuze, dat vinden we reuze. Ter illustratie citeer ik het genderneutrale hoogtepunt uit de Nederlandse literatuur van 1875 (‘is het een man? is het een vrouw? het is... Majoor Frans!’) van mevrouw-majoor Bosboom-Toussaint zelf:
‘Nu nog mooijer! Gij gaat mij vleijen,’ sprak Leopold lagchend. ‘Gij wilt eens zien, hoe ik dat opnemen zal; maar wees gerust. Tegen vleijerij heb ik een ferm waterproofje aan; ik ken mij zelf een weinig....’
Daar kan Maurice de Hondt een pundtje aan zuigchen. Spelling sjmelling!

Uit de film Majoor Frans (1916)
Oké, eigenlijk zou daar natuurlijk ook vleijereij en weijnig moeten staan. Maar niemand is perfect. Als we hier gewoon rustig op voortbouwen, is er straks níemand meer die de uitdrukking ‘in het gevleij komen’ nog verkeerd spelt.

(Overigens was Bosboom-Toussaint in meer opzichten haar tijd ver vooruit. Zo werd er door haar personages al druk gemaild en waren die zich ook bewust van het probleem van pakketgrootte:
Doch er gaat van avond een mail en het pakket is zóo groot genoeg voor eene eerste toezending. Gij zult er heel wat aan te lezen hebben.
Maar dat terzijde.)

donderdag 16 november 2017

En mijn snijbonen... zulke!

De Nederlandse Pride and Prejudice-bewerking De vier dochters Bennet van Peter Holland en Lo van Hensbergen is gebaseerd op een tv-bewerking van Cedric Wallis uit 1958, de tweede die voor de BBC werd gemaakt (de eerste dateert van 1952). Volgens IMDB is dat origineel verloren gegaan, zodat de Nederlandse versie zelfs voor de Britse tv-geschiedenis historische waarde heeft: de Nederlandse serie is namelijk wel bewaard gebleven.

Sterker nog, die staat in zijn geheel op YouTube:
Aflevering 1
Aflevering 2
Aflevering 3
Aflevering 4
Aflevering 5
Aflevering 6

De vraag is natuurlijk of zo’n oude serie nog genietbaar is. Ik heb hem helemaal bekeken en heb me niet verveeld. Nu heeft het boek ook zo’n ijzersterk verhaal dat het altijd leuk is om dat weer eens in een of andere vorm tot je te nemen. Zo’n meesterwerk als de BBC-versie uit 1995 is dit bij lange na niet; als geheel is de serie te gedateerd om nu nog een groot publiek aan te spreken. Dat ik toch geboeid was, kwam misschien vooral doordat het leuk om is te zien hoe er toen tv werd gemaakt: hoe er werd geregisseerd en geacteerd, met die toneelmatige dictie en nadrukkelijke articulatie. Leuk ook om jonge spelers als Ramses Shaffy en Joop Admiraal aan het werk te zien naast acteurs van een oudere generatie als Mien Duymaer Van Twist, die in de jaren 20 nog in stomme films had gespeeld.

Kritiek is altijd mogelijk, en Nederland zou Nederland niet zijn als die er niet kwam – al meteen in 1962. Het Vrije Volk klaagde na de laatste aflevering namelijk niet alleen over het uitzendschema, de krant had ook inhoudelijke kritiek:
In de tweede plaats heeft regisseur Peter Holland de zo langzamerhand verouderde problematiek niet weten op te vangen met de virtuoze taaltechniek, die het werk van Jane Austen ook nu nog zeer lezenswaard maakt. Bovendien werd vaak slordig met de slecht ingestudeerde teksten omgesprongen.
Als verzachtende omstandigheid kan worden aangetekend, dat de actrices en acteurs voor een weinig benijdenswaardige taak stonden. Er was aan de vaak moeilijk uit te spreken teksten weinig eer te behalen en de handeling was weinig bewegelijk.
De NCRV heeft met deze feuilleton in het hart van het zaterdagavond-programma het probleem waarmee deze omroepvereniging blijft worstelen, niet opgelost. Dat is het probleem op de zaterdagavond met een passend programma het TV-scherm te vullen.

Versprekingen

Die kritiek is niet onterecht. Wat de slecht ingestudeerde teksten betreft: het klopt dat de acteurs zich vrij vaak verspreken. Zo vaak dat ik me tijdens het kijken al afvroeg of het destijds soms te duur was om scènes over te doen, of dat het gewoon slordigheid is. Dankzij de recensent van Het Vrije Volk weet ik nu in ieder geval dat het kritische kijkers ook toen al opviel; en dat de – inderdaad vrij stijve en niet altijd even fraai vertaalde – dialogen ook destijds als ‘moeilijk uit te spreken teksten’ werden ervaren.

Hier twee voorbeelden van die versprekingen, vrij willekeurig gekozen, want zoals gezegd: het wemelt ervan. Vader en moeder Bennet in de eerste aflevering:

Na 13 seconden bloedt de zin van moeder Bennet dood, het klinkt alsof ze haar tekst kwijt is: ‘Voor een moeder met vier dochters komt een getrouwde man...’ En dan iets onverstaanbaars (‘niet im Frage’?). Let ook op haar ogen: het is alsof Duymaer van Twist naar de regisseur kijkt van: ‘Oeps. Moet het over?’ Maar Joan Remmelts gaat als Mr Bennet onverstoorbaar door – wat overigens helemaal in character is – en blijkbaar vonden ze het niet de moeite om de scène (überhaupt? of voor de zoveelste keer?) over te doen.

En hier struikelt Ramses Shaffy als Darcy in de vierde aflevering over het woord ‘gevoelstoestand’:

Je kunt argumenteren dat het bewust is, een gevolg van Darcy’s eigen bewogen ‘gevoelstoestand’, maar dat is een beetje flauw; ook dit is duidelijk een verspreking.

Droste cacao

In de volgende scène uit aflevering 3 gaat iets anders mis. Het Vrije Volk klaagde over de ‘weinig bewegelijke handeling’, maar het verhaal bestaat nu eenmaal vooral uit pratende hoofden. Er is weinig actie, dus het lijkt me voor een regisseur nog een hele toer om te voorkomen dat het beeld statisch wordt. Ik heb de indruk dat er vaak wel vakkundig met positionering en camerastandpunten is gewerkt om scènes wat dynamiek te geven. En hier heeft de regie zich helemaal uitgeleefd met een spiegeleffect – om die pratende hoofden eens heel anders in beeld te brengen:


Helaas gaat dat na 8 seconden mis doordat Mrs Gardiner (Fien Berghegge) met haar schouder tegen de spiegel duwt – en hup, ineens verschijnt de camera in beeld!


Graskalven en pretkuikens

Het is een leuke sport om die foutjes op te sporen, maar het zou onterecht zijn om alleen de gebreken te benadrukken. Het zijn betrekkelijk kleine smetten op wat toen waarschijnlijk een prestigieuze productie was. Het foutje in de spiegelscène laat ook onverlet dat die sequentie heel fraai eindigt met dit droste-effect:


Aan het drama voegt het misschien weinig toe, maar cameraman en regisseur vonden dit vast leuk om te doen. Des te spijtiger van dat foutje – dat me aanvankelijk overigens helemaal niet opviel; ik zag het pas toen ik deze scène eruit lichtte omdat hij me positief was opgevallen.

(Daarnaast heb ik van deze spiegelscène overigens het nieuwe woord ‘tripschoenen’ geleerd. Andere fijne woorden die ik van de serie heb opgedaan: groen graskalf en pretkuiken, vader Bennets benamingen voor de domme Lydia.)

Als kapstok voor jouw illusies

Een in zijn eenvoud ook best aardige regievondst: de boeken die worden dichtgeklapt; met links Ann Hasekamp als Jane en rechts Lies Franken als Elisabeth:


En wat het spel betreft: erg leuk zijn de scènes met moeder Bennet. Dat is altijd een van de dankbaarste rollen, en biedt Duymaer van Twist alle kans om te schmieren.


Ook uitstekend lijkt me de chemie tussen haar en Joan Remmelts als de sarcastische vader Bennet, die het ‘een genoegen was om als kapstok voor haar illusies te dienen’:



Wieden, spitten, zaaien, snoeien, stekken

Een hoogtepunt in meerdere opzichten is de snijbonenscène in huize Collins, met een duidelijk van zijn rol genietende Pieter Lutz. Ik was de hele moestuin van dominee Collins al vergeten. Ik neem aan dat hij ook wel voorkomt in de roman (en in de BBC-versie van 1995) – maar ik kan me nauwelijks voorstellen dat zijn snijbonen daarin ook zo dubbelzinnig worden besproken: ‘Geen forsere in heel ’t graafschap’!.



Zulke snijbonen als hij kweekt...

En geen overzicht van een Pride and Prejudice-bewerking is compleet zonder een huwelijksaanzoek. Tot besluit daarom nog het eerste aanzoek van Darcy aan Elisabeth:


woensdag 15 november 2017

Onnavolgbaar feuilleton

Ik heb de indruk dat De vier dochters Bennet, de Nederlandse tv-bewerking van Pride and Prejudice uit 1961/62, destijds een behoorlijk succes was. Zo’n serie was op de zaterdagavond per definitie van veel kijkers verzekerd, er was immers nog maar één net: kijkdichtheid 100%! En dat de vertaling van de roman in 1964 nog werd uitgebracht onder de titel De gezusters Bennet, geeft ook aan dat de serie indruk had gemaakt.

Niet dat er geen klachten waren – al was de voornaamste klacht paradoxaal genoeg juist een teken van het succes van de serie. Die betrof namelijk het ongunstige uitzendschema, waardoor kijkers steeds erg lang op de volgende aflevering moesten wachten. Naar aanleiding van de tweede aflevering schreef het Zeeuwsch Dagblad in december 1961, in een artikel getiteld ‘Onnavolgbaar feuilleton’:
De toerbeurten van de televisiesecties, die het zuilensysteem nu eenmaal met zich brengt, hebben tot nu toe het echte televisie-feuilleton, dat overal elders in de wereld tot het menu van de week behoort, bij ons onmogelijk gemaakt.
De Avro heeft een redelijk geslaagde poging gedaan met de detectiveseries van Francis Durbridge (‘Het is over’ en ‘De andere’) door ervoor te zorgen dat de reeks van zes afleveringen in ongeveer zes weken ten einde was. Om dat te bereiken werd het programmaschema aangepast.
De NCRV heeft dat ten aanzien van ‘De vier dochters Bennet’ naar de roman ‘Trots en vooroordeel’ van Jane Austen, niet gedaan hetgeen, ook naar de reacties van vele kijkers te oordelen, te betreuren valt. De zes afleveringen worden over liefst zes maanden uitgesmeerd met het onvermijdelijke gevolg dat iedere kijker de draad kwijt zal zijn.
Het is daarom te hopen dat de programmaleiding van de NCRV alsnog een middel zal weten te vinden om dit feuilleton, waarvan vanavond na bijna zes weken het tweede deel wordt uitgezonden, nu binnen een maand te beëindigen. Het lijkt ons niet moeilijk dat te realiseren want de hele serie staat kant en klaar op de band.
Die wens werd niet verhoord: de serie is uitgezonden van 6 november tot eind maart. Naar aanleiding van de laatste aflevering klaagde Het Vrije Volk op 26 maart 1962 ook weer dat
voor het volgen van deze serie van de kijkers een bijzondere vasthoudendheid [was] geëist. In de eerste plaats door de veel te lange perioden tussen de afleveringen.
Dat daarover geklaagd werd, moet ook betekenen dat de serie aansloeg: mensen vonden het een mooi verhaal en wilden verdorie weten hoe het verder ging, zonder daar steeds een paar weken op te moeten wachten!

‘Ik Bennet’

Die lange tussenpozen hadden gevolgen voor de serie zelf: van de eerste drie afleveringen weet ik het niet zeker, maar de laatste drie werden voorzien van een inleiding met een korte inhoud van het voorafgaande. Die inleidingen zijn opmerkelijk: het lijkt wel of de makers ze als een speelkwartiertje beschouwden. Ze pakken uit met steeds wisselende, grappig bedoelde stijloefeningen: rijmpjes, beeldgrappen, tenenkrommende woordspelingen, liedjes in een poppenkast en een toespraakje van een pianist. Alles op een zwaar-ironische toon die nog veel oubolliger aandoet dan de serie zelf. Het is meligheid troef, wat ze op een bepaalde manier ook weer hilarisch maakt.

Zo bevat de inleiding bij aflevering 5 deze bizarre beeldgrap, die meer aan het YouTube-tijdperk dan aan de jaren 60 doet denken:


En hier is de inleiding bij aflevering 4 in zijn geheel; de toon doet mij nog het meest denken aan die van een dorre wiskundeleraar die vergeefse pogingen doet om grappig te zijn:


En dit is de muzikale inleiding bij de slotaflevering:


Ik vraag me af of in die ironische inleidingen ook iets van omroeppolitiek doorschemert: vormen ze een stille klacht van de makers dat hun zesdelige serie over zo’n lange periode was uitgesmeerd?

Wat een geluk!

De oudere lezers zullen trouwens meteen het wijsje herkennen waarop de inleider hierboven zijn tekst zingt: ‘Wat een geluk’, het nummer waarmee Rudi Carrell een jaar eerder roemloos ten onder was gegaan op het Eurovisie Songfestival 1960.


Op Wikipedia lees ik dat Carell met dit toch heel aardige liedje een-na-laatste werd:
Hij kreeg slechts twee punten. Het festival van dat jaar werd gewonnen door Jacqueline Boyer, met het liedje Tom Pilibi.
Jacqueline Wie? Tom Wat? Wat bezielde de jury? Wie Carell al oubollig vindt, kan dit geestdodende ‘winnende’ nummer beter helemaal niet afspelen:


Maar genoeg Songfestival: terug naar Jane Austen. De filmpjes hierboven kunnen de indruk wekken dat die Nederlandse tv-serie een en al knulligheid was. Dat valt volgens mij reuze mee. De serie zelf is leuker dan die inleidingen. Morgen meer over de serie en wat ik ervan vond, geïllustreerd met enkele hoogte- en dieptepunten.

dinsdag 14 november 2017

Hoog, Darcy, kijk omhoog, Darcy!

‘De dochters Bennet zijn gelukkig aan de man’ kopte Het Vrije Volk op 26 maart 1962:
Geheel volgens verwachting zijn zaterdagavond drie van de vier dochters Bennet aan de man gekomen. En voor de vierde zag het er hoopvol uit.
De NCRV had een Nederlandse tv-bewerking van Pride and Prejudice uitgezonden onder de titel De vier dochters Bennet. (Op tv had het echtpaar Bennet één van hun vijf dochters moeten opgeven; het waren de jaren 60, ’t zal de woningnood zijn geweest...) Daar blikte Het Vrije Volk nu op terug.

Het kan bijna niet anders of deze zesdelige tv-serie is mede de aanleiding voor uitgeverij Veen geweest om eindelijk een nieuwe Nederlandse vertaling van de roman te laten maken. Die werd in september 1964 in De Tijd/De Maasbode besproken door W. Bronzwaer – overigens zonder enige verwijzing naar de eerdere, Belgische vertaling van Frans Verachtert, die in Nederland weinig sporen lijkt te hebben nagelaten. Ook Bronzwaer constateerde meteen – ietwat schamper – een verband met de tv-versie:
Na ‘Emma’ is nu ook Jane Austens eerste voltooide roman ‘Pride and Prejudice’ (de tweede in volgorde van publicatie) in een heel leesbare vertaling verschenen als Amstel Boek. In het Nederlands heet het boek ‘De gezusters Bennet’; de oorspronkelijke titel van deze vertaling, ‘Trots en Vooroordeel’, is tot ondertitel gedegradeerd. (Ik vermoed althans dat het zo zit. Ook nu weer is de uitgever van deze overigens verdienstelijke serie niet van zijn hinderlijke gewoonte afgeweken om zorgvuldig alle bibliografische gegevens, tot en met het jaar van uitgave, te verzwijgen). Hoe het met de vertaling precies zit, weten we dus niet, maar in ieder geval wekt de titel zoals hij nu luidt herinneringen op aan een televisiebewerking van de roman onder deze naam. Zo gaat dat tegenwoordig. De literatuur bestaat bij de gratie van de televisie. 
De volgens Bronzwaer dus ‘heel leesbare’ vertaling van Van Praag-Van Praag werd ook elders enthousiast aangekondigd (o.a. in de Friese Koerier) en werd zelfs in 1980, bij het verschijnen van weer een nieuwe vertaling, nog steeds geprezen: toen noemde Froukje Hofstra in Nieuws van het Noorden de vertaling uit 1964 ‘minder ouderwets’ dan de nieuwe van Dorsman-Vos – al achtte ze ‘beiden minder dan het origineel’.

Wat De vier dochters Bennet betreft: dat is een interessante tv-serie waarover ook nog wel meer te vertellen valt. Zoals alleen al het feit dat Mr Darcy gespeeld werd door… Ramses Shaffy.

Bron: Beeld en geluid-archief.

Stak hij Laurence Olivier naar de kroon? Morgen meer over de serie. Hier alvast één voorproefje: de beroemde beginzin van de roman, zoals die in de dialoog van de serie is verwerkt. We zien Joan Remmelts als vader en Mien Duymaer Van Twist als moeder Bennet.


maandag 13 november 2017

Cherchez le film

Als een literaire roman, en zeker een oude klassieker, ineens grote populariteit geniet bij een breed publiek, is het vaak een kwestie van cherchez le film. Jane Austens werk had in het Engels taalgebied geen verfilmingen nodig om klassiek te worden, maar de succesvolle film- en tv-versies van midden jaren 90 hebben haar bredere populariteit bepaald geen kwaad gedaan. Het lijkt in ieder geval overduidelijk dat zeker het succes van de prachtige BBC-versie van Pride and Prejudice uit 1995 heeft geleid tot nieuwe vertalingen, én tot andere Austen-verfilmingen en variaties daarop (Bridget Jones!), die op hun beurt ook weer aanleiding vormden voor nieuwe boekuitgaven en vertalingen. Op dezelfde wijze hebben op het werk van Henry James gebaseerde films Nederlandse uitgevers soms net het duwtje gegeven dat ze nodig hadden om ook eens gek te doen en zomaar een roman van hem in vertaling uit te brengen – zoals Washington Square (1997) en vooral Portrait of a Lady (1996), waarvan ten tijde van Jane Campions film gelijktijdig twee vertalingen verschenen (hier besproken in Filter door Peter de Voogd). En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te bedenken.

Nu heb ik zo’n vermoeden dat de Austen-hausse van de jaren 90 al de tweede en misschien zelfs derde keer was dat een film- of tv-versie van haar werk de aanzet gaf tot Nederlandse vertalingen van haar werk. In het eerste geval is dat een gok die slechts wordt ingegeven door de samenloop van omstandigheden; in het tweede zijn er sterkere aanwijzingen.

Tweestrijd der gevoelens

Het eerste geval betreft de eerste Nederlandse vertaling van Pride and Prejudice uit 1946, door Frans Verachtert. Voor wie achter elke bestseller een succesvolle film vermoedt, is het immers wel héél toevallig dat deze vertaling juist verscheen in het jaar nadat Nederlandse bioscoopbezoekers voor het eerst hadden kennisgemaakt met de befaamde Amerikaanse verfilming van dit boek, met Greer Garson en Laurence Olivier in de hoofdrol:


‘When pretty girls t-e-a-s-e-d men into marriage!’

Die film dateert uit 1940 en het Nederlandse publiek was er dan ook al vijf jaar eerder lekker voor gemaakt. Maar helaas, er kwam een oorlog tussen, zodat hij – onder de titel Tweestrijd der gevoelens – pas in 1945 in Nederland kon worden vertoond.

De film is niet op YouTube te vinden, maar de trailer wel – en die maakt mij best benieuwd:


Dat Austen inmiddels haar vaste plek in de Engelstalige canon had verworven, blijkt wel uit die ronkende (maar niet onterechte) aankondigingstekst ‘one of the most famous novels ever written’.

En voor wie het zich afvraagt: dat Greer Garson hier ‘the lovable Mrs Chips’ wordt genoemd, is niet omdat ze zo van patat hield, maar omdat het publiek haar vooral kende van Goodbye, Mr Chips (1939), de verfilming van een roman van James Hilton. Die film ken ik niet, maar was naar de beschrijvingen te oordelen nogal een tranentrekker.

Het eerste ‘vrije’ programma

Volgens een bespreking in De Waarheid was Tweestrijd der gevoelens een film die ‘geen probleem van de afgelopen oorlog’ behandelt en ‘geen vragen over de komende tijd’ stelt, ‘doch niets anders [is] dan de bewerking van de klassieke Engelse roman Pride and Prejudice’:
voor wie zich los kan maken van de vraagstukken die ons thans bezig houden, betekent deze film anderhalf uur amusement.
Dat klinkt wat laatdunkend, maar wat zou het dat dit geen pamflet voor de socialistische heilstaat was? Je kunt je voorstellen dat mensen na de oorlog ook wel behoefte hadden aan wat escapisme. Interessanter is het begin van het artikel:
Zij die al om half zeven voor Roxy in de rij hebben gestaan, hoefden daar geen spijt van te hebben: het eerste ‘vrije’ programma is uitstekend.
Het was dus een van de allereerste films die na de bevrijding in de Nederlandse bioscopen werden vertoond – en men stond er blijkbaar voor in de rij. Het voert vast te ver om daaruit af te leiden dat de film bij een groot deel van het publiek onbewust met de bevrijding werd geassocieerd, en dat dit nog enige tijd heeft nagewerkt en bijgedragen aan de positieve naoorlogse ontvangst van Austens werk. Maar schadelijk voor haar reputatie kan het ook niet zijn geweest; de film moet haast wel een flinke zwengel hebben gegeven aan haar Nederlandse populariteit, die in 1950 volgens De Telegraaf ‘opmerkelijk was opgelaaid’.

Ik heb overigens geen aanwijzingen dat Verachterts Trots en vooroordeel ook echt een bestseller is geworden. Zijn vertaling heeft in de in Delpher beschikbare kranten weinig sporen nagelaten in de vorm van recensies of andere verwijzingen, en ik weet niet of en hoe vaak hij is herdrukt. Wel heeft het achttien jaar geduurd voordat er een andere vertaling van Pride and Prejudice verscheen (waarmee dat trouwens de eerste roman van Austen was die een tweede keer in het Nederlands is vertaald). Ook die nieuwe vertaling uit 1964 lijkt te zijn ingegeven door het succes van een verfilming. Maar daarover morgen meer.

’t Is een wonderlijke wereld

Draait deze film hier vanavond nog ergens?

Algemeen Handelsblad, 11-11-1939
Ik wil erheen!

zondag 12 november 2017

I woud NEVER say he likes golden showers

Net toen ik vanochtend de radio wilde uitzetten, werd er een pianosonate van Beethoven gespeeld, en wel op zo’n spitse, scherpe, frisse manier dat ik hem nog even aan liet staan tot ik in de afkondiging kon horen wie de pianist was. Een uitvoering zo sprankelend als champagne, zou ik bijna zeggen, maar dat is wel een heel flauw grapje, want het bleek Eric Heidsieck te zijn – wiens opname van alle Beethoven-sonates ik al kende (maar nu dus niet herkende) als een van de meest interessante en karakteristieke die ik thuis heb staan.

Maar... de Britse presentator verhaspelde de klinkers en sprak zijn naam uit als Eric Hiedseick – en dat klinkt, zeker in Nederlandse oren , toch weer een stuk minder sprankelend. Bruisend misschien wel, of klaterend... iets waar Trump graag naar luistert op een Russisch hotelbed...


Snel vergeten maar weer. Om het hoofd leeg te spoelen hier wat muziek. Van Heidsiecks studio-opnamen van Beethoven is op YouTube en zelfs op Spotify bijna niets te vinden, maar online staat wel dit mooie live-recital:

En de sonate die vanochtend op de radio te horen was, is hier ook nog een tijdje te beluisteren.

En zie ik in deze oude Heidsieck-reclame nou een buste van Beethoven?
Nee, dat zal papa Heidsieck wel zijn.

zaterdag 11 november 2017

Altijd hameren op hetzelfde aambeeld

Grasduinen in Delpher is leuk, maar nog fijner is het natuurlijk als een tweedehands aangeschafte roman van Emants ineens twee knipsels blijkt te bevatten uit het Algemeen Handelsblad en Het Parool van 1965, over de toen net uitgekomen Emants-biografie van Dubois:


Dat artikel uit Algemeen Handelsblad is trouwens ook op Delpher te lezen. Maar de bespreking van H.A. Gomperts uit Het Parool nog niet: begin dit jaar is weliswaar aangekondigd dat de archieven van die krant (over de jaren 1945 tot 1995) ergens in de loop van dit najaar op Delpher komen te staan, maar blijkbaar is het nog niet zover.

Gomperts had een vaardige pen. Hij noemt Emants een ‘zéér leesbaar auteur met een moderne stijl zonder franje of fraaiigheden’ en begint zijn stuk zo:
Wat Emants onverkoopbaar maakt, is niet, geloof ik, zijn pessimisme. Heel wat lezers zijn gaarne bereid om zich van illusies te laten beroven, maar zij willen er wel iets voor terugkrijgen. De ondergang van de wereld mag men voorspellen, mits men de grote visioenen, de apocalyptische emoties en de poëtische wanhoop erbij levert. Het stuitende en het schokkende vindt een ruime aftrek, als de meegedeelde details maar geschikt zijn om een overal aanwezig ‘heimwee naar de modder’ te bevredigen. Onheelbare melancholie en uitzichtloos leed zijn gangbare waar, als er maar iets bij gevoeld kan worden…
Maar dat is juist het griezelige bij Emants: bij hem is alles afgekoeld. De emoties zijn er wel, het temperament is er volop, maar alles is twintig graden koeler dan op onze laagvlakte waar de hete tranen stromen. In het beste werk van Emants heerst een klimaat, dat in de literatuur ongebruikelijk is. De temperatuur is geschikt voor hart-operaties en die hebben er dan ook plaats. Zonder enige gedaanteverwisseling leiden de mensen het bestaan van insecten. Het zijn sociale wezens, die fanatiek gehoorzamen aan onzinnige instincten. Moordenaars. Zij praten over moraal en godsdienst, over onbaatzuchtigheid en opofferende liefde en wij zien, dat zij hun gang gaan en dat hun enige scrupule de lafheid is.
Verderop schrijft hij dan nog:
Emants was een groot schrijver en een verschrikkelijke, fanatieke levenshater, die altijd weer op hetzelfde aambeeld hamerde: het leven heeft geen zin, de natuur en de instincten bedriegen ons, er is veel meer ongeluk dan geluk in het leven, het beste is niet geboren te zijn. Men heeft ook het gevoel, dat zijn derde huwelijk, dat de laatste 19 jaar van zijn leven vergald heeft, in zekere zin koren op zijn molen is geweest. Iedere dag, dat het hem slecht ging, had hij een nieuw bewijs voor de grondstelling van zijn werk.
Dat is voor hem (net als voor mij) geen reden zich van de auteur af te wenden, want:
Wat voor deze Isegrim inneemt, is voor mijn gevoel zijn zeldzame combinatie van fanatisme, eerlijkheid en nuchterheid.
Krek.

vrijdag 10 november 2017

Heldin op hol


Voor de oorlog lijkt Jane Austen in Nederland, afgezien van wat verdwaalde verwijzingen naar haar werk in kranten en tijdschriften en één vertaalde roman, niet erg bekend te zijn geweest. Een geplande Amerikaanse verfilming van Pride and Prejudice werd wel belangrijk genoeg geacht om in de krant te worden aangekondigd, maar dat zegt waarschijnlijk meer over de belangstelling voor alles wat uit Hollywood kwam dan over de reputatie van Austen; tot vertalingen van deze of andere romans kwam het niet.

Volgens een informele inventarisatie van Nederlandse Austen-vertalingen door Erik Geleijns op de site van de KB liep het ook na de oorlog nog niet storm: één Belgische vertaling van Pride and Prejudice in 1946, enkele herdrukken van de vooroorlogse vertaling van Sense and Sensibility en een tweede Nederlandse vertaling van Pride and Prejudice in 1964, dat is de schrale oogst in de eerste decennia na de oorlog. Andere boeken van Austen werden, zo staat er, ‘nog later in het Nederlands vertaald (Emma in 1978, Mansfield Park in 1984, Persuasion in 1987 en Northanger Abbey in 1997)’.

Maar dat beeld klopt niet helemaal. De periode vanaf de jaren 70 laat ik nu even buiten beschouwing. Toen begon, met de oprichting van een Austen-genootschap door Guus Luijters, de Austen-manie ook in Nederland echt wortel te schieten. Spectrum bracht in de jaren 70 en 80 al haar grote romans in vertaling uit, en met de inmiddels bijna legendarische BBC-versie van Pride and Prejudice uit 1995 (destijds overigens voor de Nederlandse tv vertaald door Otto Biersma) was het hek helemaal van de dam: andere uitgevers volgden en inmiddels zijn Austens belangrijkste romans bijna allemaal in minstens drie of vier verschillende vertalingen verschenen.

Omslag van de vertaling van Frans Verachtert, 1946
Bron: KB-site

Maar ook in de eerste decennia na de oorlog zijn er al meer Nederlandse Austen-vertalingen verschenen dan het overzicht op de KB-site suggereert – waarschijnlijk doordat dat berust op wat er in bibliotheekcatalogi te vinden is. (Dat is dan wel een deprimerend commentaar op de volledigheid van onze bibliotheekcollecties.) In Delpher zijn diverse sporen van andere uitgaven te vinden, en een vrij volledige inventarisatie daarvan staat online op een Franse Wikipedia-pagina.

Ik loop hier alle mij bekende Austen-vertalingen tussen 1945 en 1965 even af, met uitzondering van het al eerder beschreven Gevoel en verstand.

Waarom niet Sara Burgerhart herlezen?

Over Trots en vooroordeel, de vertaling van Pride and Prejudice uit 1946, en over de Belgische vertaler Frans Verachtert is op internet weinig informatie te vinden, alleen wat afbeeldingen van het fraaie omslag. Bij DBNL staat deze vertaling zelfs niet vermeld op Verachterts auteurspagina.  Ik vind verder alleen één bespreking in het (nog steeds bestaande) Belgische tijdschrift Streven, die wat kritiek op de vertaling bevat:
De vertaling had beter kunnen afgewerkt en voorgesteld worden. Afgezien van enkele taalfouten (vallen in, blz. 12; verrechtvaardigen, blz. 269; peinzerig, blz. 343), werd, in de gesprekken vooral, de stijve boekentaal niet vermeden (waarom niet, vooraf, het naar den geest verwante Sara Burgerhart herlezen?). En de inleiding licht ons, half onwetenden die zulk werk willen aanvatten, te weinig voor. Toch verdienen bewerking en uitgave een warme aanbeveling.
Opvallend dat bij de ontvangst van deze vertaling, net als eerder bij Van Uildriks’ Gevoel en verstand, weer zo nadrukkelijk de vergelijking met Sara Burgerhart wordt gemaakt.

Waarschijnlijk de uitgave van 1949.
Bron: Pinterest

Na deze Belgische vertaling verscheen in 1949 in Nederland Emma, in een vertaling van J.A. Schröeder. Ik weet niet of het iets over de kwaliteit van de vertaling zegt, maar die is niet alleen regelmatig herdrukt: hij is zelfs in druk gebleven tot 2005, zoals blijkt uit een interessant artikel van Saskia van der Lingen in Filter over de ‘Aanspreekvormen in Jane Austens Emma’.

Waarschijnlijk de uitgave van 1963.
Bron: Pinterest.
Verder heb ik van deze uitgave (nog) geen interessante besprekingen kunnen vinden. Maar aan fraaie omslagen heeft het ook deze vertaling niet ontbroken.

De beste vertalers van Nederland

Een mooi omslag is ook wat me op het spoor bracht van de volgende Austen-uitgave die in het KB-overzichtje ontbreekt: Het late inzicht, Nini Brunts vertaling van Persuasion uit 1953. De omslagillustratie is van Fiep Westendorp:


En wederom wordt in een anonieme recensie van deze vertaling in de Leeuwarder courant gezegd dat Austen ‘in de verte met ons tweetal Wolff en Deken te vergelijken is’. De recensent is positief over Austen én over de vertaling:
in opmerkingsgave en uitbeeldingstalent overtreft deze predikantsdochter vele van haar hedendaagse vrouwelijke collega’s. Haar ironische humor en eenvoudig realisme maken haar ook in dit goed vertaalde boek bijna tot een moderne figuur.
Veel minder positief, althans over de vertaling, is de recensie in het Leidsch Dagblad van de hand van een oude bekende op dit blog: Clara Eggink. Net als in haar recensie van een vertaling van Henry James’ The Aspern Papers zes jaar later levert ze hier ongezouten (en in mijn ogen ook wel erg zwaar aangezette) kritiek op de vertaling van Brunt:
Het is dan ook zeer verheugend, dat van ‘Persuasion’, de roman die eerst na haar dood gepubliceerd is, nu een vertaling in het Nederlands verschenen is. Jammer is het echter dat de vertaler niet erg gelukkig geweest is, juist in dit boek waar het zo volkomen aankomt op wat er staat en zeer zeker niet op het eenvoudige verhaal.
   Het begint al op de eerste pagina, waar Sir Walter hier in het Nederlands het Adelsboek in handen gegeven wordt. Dit nu las de ijdele ‘baronet’ niet. Hij had ‘the Baronetage’ in handen, een boek dat wij zouden kunnen gelijkstellen met ‘Het Nederlandse Patriciaat.’ Op zichzelf lijkt dit nu niet zo erg, ware het niet dat dit Sir Walter en zijn ijdele dochter op een geheel verkeerd plan plaatst. Indien zij inderdaad tot de adel zouden hebben behoord, dan zouden zij niet die dwaze overmatige belangstelling voor rang en stand gehad hebben, die een speciale karaktertrek is van mensen die niet niet [sic] van hoge geboorte zijn. Verder vinden wij de ‘personal contentment’ van Sir Walter vertaald door ‘persoonlijke tevredenheid’ in plaats van door ‘zelfingenomenheid’. Op pag. 12 het karakteristieke woord ‘condescended,’ tot tweemaal toe in één zin gebruikt en niet zonder doel, vervangen door ‘zo ver gegaan,’ inplaats van ‘zich verwaardigd,’ op pag. 252 ‘Eligibilities and proprieties’ door ‘Voordelen en eigenschappen’ inplaats van ‘wenselijkheid en gepastheid.’ En zo zijn er nog vele voorbeelden waardoor deze roman in het Nederlands een vervlakking krijgt, die nu speciaal Jane Austen niet verdragen kan.

Zoals ik al eerder aanhaalde, schreef Cees Koster in zijn portret van Clara Eggink in Filter dat ze zich in haar kritische werk ‘bijna nooit over vertalen heeft uitgelaten’. Op basis van twee recensies kun je die bewering niet meteen ontkrachten; maar aangezien juist deze twee recensies mijn eerste kennismaking met Eggink vormen, kan ik me nu moeilijk aan de indruk onttrekken dat ze in haar recensies wel erg graag het vertaalwerk van collega’s afkraakte.

Daar moet ik mee oppassen: twee recensies verspreid over bijna tien jaar vormen een veel te wankele basis om zo’n conclusie op te baseren, dus ik schort mijn oordeel op. En een zoekopdracht naar Eggink in de krantenbank van Leiden en omstreken levert maar liefst 839 resultaten op: het wordt nog een hele klus om die allemaal door te spitten. Ik laat het dan ook graag aan anderen over om haar recensiepraktijk nader te inventariseren.

Overigens plaatste Cees Koster eerder in Filter ook al een interessant profiel van Nini Brunt, waarin hij schreef dat ze in ‘hetzelfde netwerk’ zat als Eggink – wat Egginks kritiek des te pikanter maakt.

Het Vrije Volk, 25-02-1961
Brunt heeft verder niets van Austen vertaald en staat vooral bekend om haar Kafka-vertalingen. Die genoten veel waardering en zijn nog steeds in druk. In een ongesigneerd artikel in het Vrije Volk met de wervende kop ‘Goede vertalers zijn er wel – maar wie betaalt hen?’ werd in 1961 zelfs geconcludeerd:
De vertaalster, Nini Brunt, die nog een groot aantal andere ‘moeilijke’ bewerkingen op haar naam heeft staan, moet tot de beste vertalers van Nederland gerekend worden.

Heldin op hol

Tot slot verscheen er in 1956 een vertaling van Northanger Abbey (van de hand van de mij volstrekt onbekende Jean Jacob) onder de titel Heldin op hol. Daarvan heb ik geen enkele signalering of recensie kunnen vinden, en zelfs geen omslagillustratie – maar de simpele wetenschap dat een boek van Jane Austen ooit onder zó’n wervende titel is verschenen, maakt veel goed.

Je kunt dus bijna concluderen, zoals Fiep van Bodegom deze zomer in De Groene deed, dat in 1956 alle grote romans van Austen ten minste één keer waren vertaald. Bijna, want ze gaat daarbij dan voorbij aan Mansfield Park. Dat boek, eveneens een meesterwerk, maar met zijn problematische (want al te brave) hoofdpersoon een ondergeschoven kindje in Austens oeuvre, lijkt pas in 1984 te zijn vertaald en is in de Austen-gekke jaren 90 ook minder vaak hervertaald dan haar andere romans.

Na Heldin op hol verscheen in 1964 alweer de tweede Nederlandse vertaling van Pride and Prejudice, van de hand van H.E. van Praag-van Praag – net als Schröeders vertaling van Emma een tekst die nog lang in druk is gebleven. Samen met de vele herdrukken van Van Uildriks’ Gevoel en verstand, en de publicatie van dat laatste verhaal als feuilleton in de Telegraaf, leidt dit alles mij tot de conclusie dat de Telegraaf voor de verandering eens de waarheid schreef bij de aankondiging van dat feuilleton: dat de populariteit van Jane Austen kort na de oorlog ‘opmerkelijk is opgelaaid’.

Eén mogelijke  reden daarvoor wil ik beschrijven in een volgend stukje. Volgende week dus nog meer Jane Austen – en dan ‘in klank en beeld’!

En misschien wordt het voor mij onderhand tijd om Sara Burgerhart eens te lezen. Het omslag waarmee dat in de jaren 20 door Wereldbibliotheek op de markt werd gebracht, is er wervend genoeg voor...


donderdag 9 november 2017

Sense and sensuality

Volgens een overzicht van de Nederlandse vertalingen van haar werk op de site van de KB kwam de waardering voor Jane Austen in Nederland maar traag op gang:
Het lijkt erop dat Nederland pas laat belangstelling kreeg voor haar boeken, en er tot na de Eerste Wereldoorlog helemaal van verstoken is gebleven. Een kijkje in Delpher [...] leert inderdaad dat de naam Jane Austen in de negentiende en vroege twintigste eeuw vrijwel alleen voorkomt in krantenberichten over nieuwe Engelse uitgaven van haar romans.
Vervolgens stelt het artikel dat er tot de Tweede Wereldoorlog maar één roman van Austen is vertaald (Sense and Sensibility, door Gonne van Uildriks), in de eerste drie decennia na de oorlog alleen nog twee vertalingen van Pride and Prejudice het licht zagen, en de rest van haar oeuvre pas vanaf eind jaren 70 in vertaling verscheen.

Vooral op het gebied van die naoorlogse vertalingen behoeft dat beeld een stevige aanvulling, die hier binnenkort volgt. De beschrijving van de vooroorlogse situatie strookt wel ongeveer met wat ik zelf in Delpher over haar kon vinden.

Trots en gevoel

Zo was het in de jaren 30 blijkbaar nog nodig om aan krantenfeuilletons een verklarende voetnoot toe te voegen als ‘Jeanne Austen’ (zoals haar naam eenmaal werd gespeld) daarin ter sprake kwam. In 1883 kreeg een vergelijkbare verwijzing in het feuilleton De nalatenschap van den ouden landheer (naar The Squire’s Legacy van Mary Cecil Hay) weliswaar géén voetnoot, maar dat is natuurlijk geen argument om te veronderstellen dat Austen toen wél bekend was.

bron: Delpher


Het fragment wekt bij mij alleen de vraag wat in hemelsnaam een ‘vrageie’ is – maar dat doet hier niet ter zake.

Sarah Salt

Zoals hier al opgemerkt, werd Austen bij de verschijning van Gevoel en verstand in 1922 als een ‘onbekende schrijfster’ gepresenteerd. Anderzijds achtte I.I. Brants de boektitel Sense and Sensibility in 1930 blijkbaar al bekend genoeg om ervan uit te gaan dat lezers konden begrijpen dat Sarah Salts titel Sense and Sensuality dáárnaar verwees – in een (overigens slechts gedeeltelijk leesbare) recensie van een andere roman van deze vergeten schrijfsterJoy is My Name.

En ik zie ook wel anderen redenen om te durven vermoeden dat de aandacht voor Jane Austens werk in Nederland rond 1900 begon te groeien. In de commentaren bij het artikel op de KB-site schrijft iemand: ‘Engelse leraren plaatsten de boeken van Jane Austen op de lijst voor Engelse taal en literatuur.’ Zij heeft het dan over de jaren 70, maar mutatis mutandis gold mogelijk hetzelfde voor de periode rond de Eerste Wereldoorlog. In de Engelse letterkunde was Austen toen al stevig gecanoniseerd, en daarmee behoorde ze blijkbaar ook tot de lesstof van aanstaande docenten Engels, want haar naam figureert herhaaldelijk in de examenvragen voor de onderwijsakte B – kijk bijvoorbeeld ook hierhier en hier. In 1906 recenseerde Augusta de Wit in het Algemeen Handelsblad bovendien al een Engelstalig boek óver Jane Austen; en in 1911 kwam de populariteit van Austen, die in Engeland destijds sterk in opkomst was, ter sprake in een artikel over een essay van John Ayscough in De Maasbode:

bron: Delpher

Bovendien stonden bij de radiogegevens in kranten ook altijd de programma’s van de Engelse zenders vermeld, dus blijkbaar werd daar in Nederland ook naar geluisterd; en op die zenders werd nog weleens iets van Austen voorgelezen. Verder is in Delpher te zien dat Engelse uitgaven van Austens werk ook in de bibliotheken te vinden waren.

Daar laat ik het bij voor wat betreft de vooroorlogse receptiegeschiedenis van Jane Austen in Nederland. De finesses (en correcties) laat ik graag over aan studenten literatuursociologie. Interessanter is de naoorlogse receptie van haar werk: daarover de volgende keer.

woensdag 8 november 2017

Zijt of wordt gij ook een Janeite?

Gonne van Uildriks correspondeerde dus niet alleen kortstondig met Marcellus Emants, maar heeft ook als eerste een roman van Jane Austen in het Nederlands vertaald.


Schwob avant la lettre

Die postuum verschenen vertaling Gevoel en verstand werd in het tijdschrift Opwaartsche wegen positief besproken door Harm van der Leek (een auteur over wie ik op internet alleen heb kunnen vinden dat hij een leraar Duits was ‘die al vroeg in de oorlog om verzetsactiviteiten werd gefusilleerd’ – maar dat was dus bijna twintig jaar later). De uitgave van deze vertaling was volgens Van der Leek te danken aan het succes dat Wereldbibliotheek had geoogst met de heruitgave van een Nederlandse klassieker uit ongeveer dezelfde tijd:
blijkbaar is dit boek door uitgeefster bestemd voor het publiek, dat haar zoo dankbaar was voor de renovatie van een Sara Burgerhardt. Ook ‘Sense and Sensibility’ is een ruim honderdjarige roman, eveneens een werk van vrouwenhand, een geestige, scherpwaargenomen en minutieus afgewerkte teekening van een zeer bepaalde, afgesloten maatschappelijke kring en, niet minder dan onze prilste roman, een stuk woordkunst, geboren uit de ‘copieerlust des dagelijkschen levens.’
Dezelfde vergelijking met Sara Burgerhart viel al in een korte bespreking in Rotterdamsch nieuwsblad van 9 december 1922, waarin Austen ook werd omschreven als een ‘onbekende schrijfster’. Wereldbibliotheek was er dus, als een soort Schwob avant la lettre, vroeg bij met het brengen van ‘vergeten schrijvers’...

Telegraaf, 27-01-1950

‘Een ongerijmde eisch’

Over de vertaling wordt door het Rotterdamsch Nieuwsblad en Van der Leek niets gezegd – of het moet Van der Leeks opmerking zijn dat
wie Wolff-Deken kan genieten, [...] ook Jane Austen niet [zal] versmaden, al hebben dan ook de eerstgenoemden hun literatuurlijstjes- en examen-populariteit in het voordeel (Saartje Burgerhardt te kennen is op heden eisch van goede opvoeding en examencommissies) en al heeft de laatstgenoemde de vertaling en het Engelsch milieu van haar werk tegen zich.
Maar vermoedelijk is dat geen specifieke kritiek op déze vertaling en bedoelt hij slechts dat een vertaling per definitie altijd ‘second best’ is (een schier onuitroeibaar misverstand).

Zijn waardering voor de roman lijkt een programmatische inslag te hebben. Ik begrijp van Wikipedia dat het protestants-christelijke Opwaartsche Wegen zich verzette tegen de doorgeslagen fijngevoeligheid en woordkunst van de Tachtigers, en die afkeer klinkt een beetje door in deze recensie, waarin Austen als een positief tegengif wordt aanbevolen:
Toegestemd, dat ‘Gevoel en Verstand’ een boek is, dat niet direct aanspreekt, zelfs niet eens bijzonder boeit, dat door zijn verbizondering eerder geduld vereischt, dan meesleept, door zijn realisme geen aesthetische ontroering geeft zooals die uitgaat van de verfijnde prozakunst van onzen tijd, dat door zijn groote beheerschtheid voortdurend blijft in een sfeer van bewuste beschouwelijkheid, dat zich gestadig, logisch en in rustig tempo ontwikkelt, gelijkmatig in opbouw, ontwikkeling en afsluiting, - toegegeven, dat het, voor ons veeleischend besef, handelt in een nauw en zeer begrensd milieu, weinig afwisseling, weinig spanning, oppervlakkig beschouwd totaal niets ‘nieuws,’ ja nauwelijks iets ‘interessants’ geeft.
Alles toegegeven. Maar het is ook geen werk voor de massa en tegen de verveling. Het is een werk voor de ‘fit and few,’ die niet gulzig verslinden, maar bewust proeven. Het is een boek, dat zijn verborgen waarden eerst openbaart aan toegewijden, wie het niet teveel is, het twee-, drie- en zelfs meermalen te lezen. (Een ongerijmde eisch voor ons huidig publiek, ik weet het).
Ook ontwaart hij in het boek een ‘in wezen onbedoeld-christelijke geest’, en alleen daarom
weidde ik - tegen de gewoonte - uit over dit vertaalde werk, dat zoo kras afsteekt bij de verziekte prozakunst van hier en thans. Nogmaals, wie Wolff-Deken waardeerde, die ga verder en verschaffe zich Jane Austen. Hij zal dan inzien, dat niet alle heil van het heden te verwachten is - maar dat onder 't stof van een eeuw nog onvergankelijke woorden kunnen liggen.
Een warme aanbeveling dus. Maar dat het werk van Austen ‘niet voor de massa’ is – daarin vergiste hij zich natuurlijk deerlijk, zoals zeker na de oorlog ook in Nederland zou blijken.

Meisjeshoofd en meisjeshart

Verder kan ik over de ontvangst van Van Uildriks vertaling weinig vinden. Over het Nachleben ervan valt nog wel wat te zeggen: dat leven heeft namelijk behoorlijk lang geduurd. Op de website van de Koninklijke Bibliotheek staat een informeel overzicht van Nederlandse vertalingen van romans van Jane Austen, waaruit blijkt dat Van Uildriks vertaling in 1950 opnieuw is verschenen in een ‘tweede herziene en sterk verkorte uitgave’, die enkele jaren later een derde maal werd herdrukt, en daarna in de jaren 60 opnieuw, maar dan onder een andere titel: Meisjeshoofd en meisjeshart.

Nu bevat dit KB-artikel alleen een overzicht van vertalingen die te vinden zijn in de catalogus van de bibliotheek. Het is dus inherent onvolledig en biedt daarmee ruimte voor een paar interessante aanvullingen op basis van Delpher en andere krantenarchieven. De meeste van die aanvullingen bewaar ik voor een volgend blogstukje; ik wil me hier beperken tot Van Uildriks’ Gevoel en verstand, waarover ik kan melden dat bovengenoemde derde druk  – blijkens deze signalering in de Leeuwarder Courant – al verschenen lijkt te zijn in 1952; en dat ook de nieuwe titel Meisjeshoofd en meisjeshart al dateert van 1955 of 1954:

Leidse Courant | 14 maart 1955 | pagina 3
Nu roept dit krantenberichtje bij mij vervolgens weer de vraag op wie in vredesnaam Sis Heyster is, maar ik heb me voorgenomen ditmaal geen zijpaden in te slaan...

Ach, waarom ook niet: zo te zien was Sis Heyster een soort Nederlandse dokter Spock. Ja nee, die ándere Spock...

Schrijfster voor Wakker Nederland

Terug naar Jane: het aardigste nieuwe feitje dat ik in Delpher opdolf, is dat Gevoel en verstand in 1950 niet alleen is herdrukt in boekvorm, maar ook als feuilleton, en wel in de Telegraaf. Op 27 januari 1950 kondigt die krant niet alleen aan dat ‘de blokbanden zullen gaan verdwijnen’ (een zijpad waarop ik nu werkelijk niet wil ingaan): in het artikel ‘Zijt of wordt gij ook een Janeite?’ introduceren ze ook een nieuw feuilleton van ‘een der beroemdste romans van de Engelse schrijfster Jane Austen, wier populariteit in de laatste jaren zo opmerkelijk is opgelaaid’.

bron: Delpher

En of dat opmerkelijk is: de voor de oorlog nog ‘vergeten’ schrijfster Austen is enkele jaren na de oorlog blijkbaar al uitgegroeid tot een auteur van wie de populariteit is ‘opgelaaid’...



Sterk verkort en herzien?

De vraag is natuurlijk of het feuilleton in de Telegraaf inderdaad de vertaling van Van Uildriks betreft. Haar naam staat er niet bij vermeld, maar louter om economische redenen lijkt me dat toch erg waarschijnlijk. Ik heb de tekst in de krant niet kunnen vergelijken met de ‘herziene en sterk verkorte’ tekst van de herdrukken in boekvorm, maar het is natuurlijk niet zo vreemd dát een romantekst voor feuilletonweergave in de krant wordt ingekort – en wat is dan logischer dan dat je diezelfde tekst gebruikt voor de heruitgave in boekvorm?

Van de eerste druk van Van Uildriks vertaling uit 1922 staat gelukkig een PDF op DBNL. Vergelijk je de eerste twee alinea’s van die tekst (die in het Engelse origineel overigens één alinea vormen) met de eerste aflevering in De Telegraaf, dan ziet dat er in Word zo uit:


Als dat de hele roman zo doorgaat, is het inderdaad een stevige herziening, maar zeker geen nieuwe vertaling. Het Telegraaf-feuilleton moet een voorpublicatie zijn geweest van de herdruk van Van Uildriks’ vertaling.

En deze herziening leidt ook al meteen tot inkorting van de tekst: de passage gaat van 225 naar 214 woorden, een vermindering met 4 procent. Het is natuurlijk niet ondenkbaar dat er, zeker voor de krant, ook langere passages zijn geschrapt; dat kan ik hier niet beoordelen.

Radar en de degenstok

Wie nu hoopt dat De Telegraaf in de jaren 50 een literair verantwoorde krant was, moet ik teleurstellen. Dit Austen-feuilleton lijkt een uitzondering. Ik heb niet alle jaargangen doorgespit, maar wel een paar, en de andere feuilletons die ik tegenkwam, betroffen zonder uitzondering pulp van inmiddels vergeten auteurs.

Zo wordt Gevoel en verstand op 14 april 1950 opgevolgd door een werkje met de intrigerende titel Radar en de degenstok van de productieve maar inmiddels in de vergetelheid geraakte F. de Sinclair. Om met Raymond Brulez te spreken: ‘Zo tijdelijk, zo vluchtig en wisselvallig de geestdrift voor het litteraire schoon!’

De Telegraaf, 14-04-1950
bron: Delpher

Gelukkig stelt De Telegraaf hem aan ons voor: 
De Sinclair, die ook onder zijn ware naam (A.H. van der Feen) schrijft, werd in 1873 geboren. 43 jaar van zijn arbeidzame leven was hij, u zult het niet geloven, belastingambtenaar, waarvan de laatste elf jaar ontvanger van de directe belastingen te Amsterdam. Hij staat bekend als de enige belastingontvanger, die de mensen laat lachen. Want naast zijn vele beslommeringen met aanslagen en dwangbevelen vond hij nog tijd om te schrijven en één van Nederlands bekendste humoristische auteurs te worden.
En de krant waarschuwt:
En als u soms midden in het verhaal denkt, dat u de afloop weet, dan hebt u het mis. Het gaat anders dan u denkt. Als dit niet zo was, zou De Sinclair De Sinclair niet zijn.
Ik weet niet hoelang De Telegraaf in de jaren 50 nog feuilletons is blijven publiceren. Vermoedelijk heeft de gestage toename van het verschijnsel ‘nieuws’ (waaraan zelfs De Telegraaf af en toe moet geloven) het feuilleton uiteindelijk definitief uit de krant verdreven, want reeds in de jaren 50 kom je af en toe deze mededeling tegen:


En zeg nou zelf: is het met de jaren niet steeds méér geworden, de hoeveelheid nieuws die zich dagelijks aan ons opdringt? Donald Trump kan in zijn eentje al iedere week een heel katern vullen – op zijn mínst.

In de volgende aflevering van dit blogfeuilleton nog wat meer over Jane Austen in het Nederland van voor en na de oorlog.

maandag 6 november 2017

What ho, Nestor!

Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?

P.G. Wodehouse, The Mating Season (1949)

Een Harris, Hacker or possibly Hassock die eigenlijk Haddock heet, en rijk geworden is met een anti-katermiddel?

Las Wodehouse nou graag Kuifje of verslond Hergé de boeken over Jeeves?


Hoogst verwarrend, als ik mij verstouten mag.

‘Zelfs een uitgever kan een fatsoenlik en artistiek mens zijn’

De romancier en de vertaalster

Van 1904 tot 1907 correspondeerde Marcellus Emants regelmatig met Gonne van Uildriks, een productieve literair vertaalster uit het Engels en Duits. Op DBNL is nog weinig informatie over haar te vinden, maar ze lijkt toch heel wat vertaalwerk op haar naam te hebben en geniet ook de eer om als eerste Jane Austen in het Nederlands te hebben vertaald: Gevoel en verstand (1922), haar vertaling van Sense and Sensibility, verscheen in het jaar na haar dood.

Gonne van Uildriks

Emants’ volledige correspondentie met haar is, keurig bezorgd door Nop Maas, te lezen op DBNL. Het beeld van Van Uildriks dat oprijst uit Maas’ inleiding en enkele andere online bronnen is een beetje tragisch: na een ongelukkig huwelijk en een scheiding nam ze om den brode zoveel mogelijk vertaalwerk aan en drong zich per brief herhaaldelijk op aan literaire en andere notabelen, om vervolgens hevig teleurgesteld te zijn als zo’n correspondentie na enige tijd weer doodbloedde. Ze werd enkele malen met een depressie opgenomen in een inrichting, waar ze uiteindelijk ook is overleden.

Maar haar aanzienlijke productie en haar gewoonte om zelf werk aan te brengen bij uitgevers, die haar bovendien de vertaling toevertrouwden van succesvolle auteurs als R.L. Stevenson en H.G. Wells, bieden evengoed aanknopingspunten om haar te kenschetsen als een daadkrachtige en zelfstandige vrouw, die met een actieve literaire praktijk zichzelf en haar zoon overeind wist te houden in een tijd dat dat voor alleenstaande vrouwen helemaal niet zo vanzelfsprekend was.

‘Een zeer jaloerse persoonlikheid’

Van haar correspondentie met Emants zijn bijna alleen de brieven van Emants bewaard gebleven. Ik vond die erg lezenswaardig: naast puntig geformuleerde bespiegelingen op moraal en kunst bieden ze ook een levendig beeld van zijn korte schriftelijke vriendschap met een hooggestemde, alleenstaande literatuurliefhebster. Een vrouw op wie zijn echtgenote uiteindelijk zo jaloers werd dat ze haar een bezoek bracht om poolshoogte te nemen – waarmee abrupt een eind kwam aan de correspondentie, aangezien Van Uildriks zich daarna niet meer vrij voelde Emants in alle openhartigheid over haar leven te schrijven.

In een bewaard gebleven kladbrief aan Emants’ echtgenote verwoordt ze dat zo:
U moet het mij maar zonder verdere verklaring te eischen ten goede houden dat ik mij gedrongen voel den schriftelijken omgang met uw man af te breken... Ik weet het wel, dat die omgang uw volle goedkeuring wegdroeg, uwe invitatie om bij u aan huis te komen bewees dat immers; - maar toch... ik vind daarin nu geen genoegen meer. Laat het u desnoods een bewijs te meer zijn van de vreemdheid, die u reeds in mijne brieven heeft getroffen. 
Emants zelf was ook verrast door de actie van zijn vrouw, blijkens zijn laatste brief aan Van Uildriks:
Van het bezoek, dat mijn vrouw u heeft gebracht wist ik tot heden niets. Zij is een zeer zenuwachtige en zeer jaloerse persoonlikheid. In mijn ogen is jaloezie een ziekteverschijnsel, waartegen zo goed als geen kruid gewassen is. Openhartigheid is nog 't beste. Ik bood haar dus de lezing van uw brieven aan, maar zij maakte van dit aanbod slechts zeer zeldzaam gebruik. Waarom ze juist nu u eensklaps heeft bezocht weet ik niet.

Gevoel en verstand 

Dat was het einde van een tweeënhalf jaar durende correspondentie waarin Emants haar bijvoorbeeld deelgenoot maakte van zijn hekel aan kunst met een boodschap (‘Strekkingskunst geeft alleen aan misbaksels het leven’) en zijn opvattingen over verstand en gevoel:
Trouwens indien een gevoelszaak mijn verstandelike inzichten werkelik wijzigde, dan zou ik die gewijzigde inzichten ten zeerste wantrouwen. Niets bedriegt een mens meer dan zijn gevoel. Na een glas wijn zijn de gevoelens der mensen zeer vaak veranderd; dan wijzigen zich daardoor ook vaak zijn inzichten en dan zijn die gewijzigde inzichten... niets waard.
Ook pareert hij in dezelfde brief het verwijt (dat hij als rijkeluiskind vaker moet hebben gehoord) dat hij over sommige zaken te gemakkelijk denkt omdat hij niet hoefde te werken voor de kost:
daar zet ik tegenover, dat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen, dat zij die arbeiden moeten, ook daarom juistere opvattingen hebben. Hun opvattingen zijn andere; o ja; maar mijns inziens onjuistere, omdat de tijd tot behoorlik nadenken en navorsen hun altijd ontbroken heeft. De praktiese mens is doorgaans niet de wijze mens.
En niet alleen van de werkloosheid, ook van de kinderloosheid zingt hij de lof (niet wetende dat hij in 1910 uiteindelijk toch een dochter zal krijgen):
Er bestaat een instinkt van vaderlikheid, zegt u. Ja, ik heb 't wel waargenomen... bij anderen. Wat me zelf aangaat, geloof ik niet, dat ik veel instinkt of veel instinkten bezit. Naar mijn opvatting is 't haast een misdaad, zij 't een vergefelike en begrijpelike, een kind in het leven te roepen. Wat zou er verloren zijn als het leven eens in 't algemeen werd uitgeblust?
Mijns inziens: alleen veel ellende.
Hij gaat tekeer tegen de kerk:
Het geloof heeft veel meer kwaad gesticht dan goed (zie alle godsdienstoorlogen, de Inquisitie en de antithese). Troosten kan men even goed of even slecht zonder geloof.
Het geloven in grondwaarheden, die onbewijsbaar zijn, maar waarop een wetenschap steunt, welke ieder ogenblik aan de ervaring kan getoetst worden, staat volstrekt niet gelijk met het geloven in allerlei zaken, waarop niets steunt en welke men juist nooit toetsen mag aan enige ervaring. Bovendien verhindert elk geloof alle vooruitgang (zie Spanje, België, en alle Mohammedaanse landen + China). Ik zou het woord geloven uit alle woordenboeken willen schrappen behalve in de betekenis van niet-zeker-weten.
En toch ben ik geen materialist. Integendeel houd ik het geestelike voor de kern van alle dingen.
En tegen de Nederlandse wind:
Het aanhoudende geblaas, dat men wind noemt, ergert me steeds. Ik voel 't als het zinneloze getreiter van een idioot. In andere landen kan een mens op zijn balkon rustig een brief schrijven. In ons land wordt zijn papier altijd weggeblazen.
Verder natuurlijk veel geklaag over toneelstukken die niet worden opgevoerd, lichamelijke ongemakken, verre reizen die hem eerder een last zijn dan een lust, enz. Het favoriete onderwerp van 19de-eeuwers, de spijsvertering, komt allicht ter sprake, en we lezen dat hij citaten haat – dus als het aan hem lag was dit voornamelijk uit citaten bestaande blog er nooit gekomen. Ook al omdat hij haar vraagt zijn brieven vooral niet te bewaren:
Ik geloof wel niet, dat iemand er ooit aan denken zal ze te laten drukken; maar er wordt al zoveel onzin van iemand gedurende zijn leven verteld, dat ik ongaarne de mensen in staat zou stellen uit niet voor openbaarmaking bestemde brieven nog meer onzin omtrent mij na mijn dood te distilleren. Dus als 't u blieft: verbranden.

Denken met uw... ja, waarmede?

Zou die wens ook voorkomen uit het besef dat hij in de brieven subtiel met haar heeft geflirt? Op haar vraag of hij veel van dieren houdt, antwoordt hij:
Voor katten voel ik 't meest ofschoon ik die dieren zeer egoïst vind. Ik geloof, dat de genegenheid van een man voor een kat niet vrij is van zinnelikheid.
En later schrijft hij, in reactie op haar beschrijving van de moeizame verhouding met haar man:
Uw man smijt soms de poes plotseling van zijn schoot. Dat kan wel; maar zo doen alle mannen toch niet. Ik verzeker u, dat mijn poes zo lang mogelik met rust werd gelaten op mijn knieën en dan behoedzaam neergezet.
Waarschijnlijk moeten we hier niet te veel achter zoeken – evenmin als achter de drie puntjes waarover Van Uildriks zo ongerust is:
Ik schreef u eens: ‘dat is niet zo eenvoudig als u met uw... ja waarmede... denkt.’ U weet niet wat die stipjes betekenen en is ongerust over hun betekenis.
Wel, ik wilde u eenvoudig onder de ogen brengen, dat ieder mens, ook u, niets anders heeft dan zijn verstand om mee te denken. U kan u wel inbeelden te denken met uw gevoel, maar in de grond doet u dan niet anders dan uw verstand laten kontroleren door uw gevoel[,] wat in de regel voor de zuivere werking van het verstand niet bevorderlik is.
Maar met mijn 21ste-eeuwse dirty mind is het natuurlijk wel erg verleidelijk om zulke passages Freudiaans te duiden – al doe ik het in het volle besef dat ik dan ‘onzin aan het distilleren’ ben.

Zuring of zoete peultjes

Uit preutsheid hoef ik dat trouwens niet te laten, want conventioneel moralistisch lijkt Emants bepaald niet te zijn geweest. Conventioneel was eerder de mentaliteit van Van Uildriks zelf, zoals hij haar ook laat weten naar aanleiding van wat ze schrijft over Tagebuch einer Verlorenen van Margarete Böhme, later in Van Uildriks’ vertaling verschenen als Uit het leven eener gevallen vrouw. (Dit indertijd fenomenaal succesvolle boek over een vrouw die in de prostitutie belandt heeft een interessante geschiedenis: het werd in de markt gezet als het dagboek van een echte prostituee, terwijl Margarete Böhme het uit haar duim gezogen had; iets wat vakbroeder Emants, zoals uit de brieven blijkt, meteen door had.)

Van Uildriks was enthousiast over het boek, maar had blijkbaar ook kritiek op de hoofdpersoon. Emants’ weerwoord klinkt mij voor zijn tijd verlicht in de oren:
Waarom wordt er toch altijd zoveel spektakel over gemaakt indien een vrouw eens doet wat haast geen enkele man nalaat? Dat een zogenaamd gevallen vrouw zich nagenoeg nooit meer opheffen kan, noem ik een schande voor... alle fatsoenlike mensen. [...] Ik heb ook eens te vergeefs gepoogd een zogenaamd gevallen vrouw er weer boven op te brengen. Ofschoon ik mij borg stelde voor het geld, wilde niemand haar een lokaal verhuren om er een nering in te beginnen. Wel vond niemand haar te slecht om haar te beledigen en af te zetten... En toch noemen de Hagenaars zich voor het merendeel Christenen. 
In ieder geval: geflirt of niet, van echte amoureuze toenadering is in de briefwisseling verder geen sprake. Wel schreef Van Uildriks op een gegeven moment dat ze veel van Emants hield, maar zelfs dan is niet helemaal duidelijk of ze op de man of de schrijver doelt. En zou zij al gepiekerd hebben over waarom het tussen hen niets wilde worden, dan had Emants haar dat vast ontraden, want zoals hij in een ander verband schrijft:

M.i. is 't niet mogelik te beschrijven wat twee mensen tot elkander brengt. Het is even onmogelik als te verklaren waarom de een houdt van zuring en de ander van zoete peultjes.


Vertaal erop los

Ook over vertalen komen de twee te spreken. Dat vormt zelfs de aanleiding voor de correspondentie: Van Uildriks schrijft Emants met de vraag of hij vertaalwerk voor haar kan regelen bij zijn uitgever. Het lijkt hem de omgekeerde weg:
Wat nu ander vertaalwerk aangaat, komt het mij voor, dat u de verkeerde weg inslaat. Andere vertalers of vertaalsters kiezen een werk uit en vragen aan de schrijver verlof dit te mogen overbrengen in een andere taal. Daarna trachten zij voor hun arbeid een uitgever te vinden, die hun een honorarium uitkeert.
En trouwens, aan het auteursrecht hoeft ze zich bij nader inzien niet te storen:
In zake vertaalwerk kan het u niet onbekend zijn, dat Nederland nog niet is toegetreden tot de Berner Conventie. U kan er dus gerust op los vertalen zonder iets te betalen. U staat evenwel altijd bloot aan de onaangenaamheid, dat iemand anders gauwer dan u werkt en dat u dus voor niets heeft gearbeid. Goed, maar ook weer niet afdoende, is 't dus aan de auteur en zijn uitgever het vertaalrecht aan te vragen.
Een vreemde opvatting voor een auteur. Maar ten eerste hoefde Emants niet te leven van zijn werk. En auteursrecht bestond in Nederland eigenlijk nog niet: pas in 1912 trad Nederland toe tot de Berner Conventie, mede dankzij de inspanningen van o.a. Herman Heijermans en de in 1905 door Lodewijk van Deyssel en Herman Robbers opgerichte Vereniging van Letterkundigen (VvL).

Zeldzame vogels

Later komt het ook tot een meer inhoudelijke gedachtewisseling:
Dat u vertalen zeer moeilik vindt, verwondert mij niets. In vele gevallen is 't een hopeloos werk. De meeste mensen denken: table is tafel en je prends is ik neem. Je prends la table is dus ik neem de tafel en vertalen is niets waard. Ja wel, zo schijnt het; maar wie dieper in de zaak doordringt, ziet dat het dikwels onmogelik is gelijkwaardige woorden in de eigen taal voor vreemde woorden te vinden. Vertaal eens presies ‘leisten’ in het Nederlands of ‘een gulle lach’ in het Duits.
   Maar laat u een uitgever in uw werk schrappen? 't Is waar: zelfs een uitgever kan een fatsoenlik en artistiek mens zijn; maar dat u twee zulke zeldzame vogels gevangen zou hebben is mij haast te machtig. De verandering van ‘een groot aantal kinderen’ in ‘een behoorlik aantal’ zou ik zeker afkeuren; ten eerste omdat die verandering mij ongerechtvaardigd en onnodig voorkomt, ten tweede omdat in mijn ogen elk aantal kinderen hoe klein ook, al onbehoorlik is. Tegen het woord er heb ik in 't geheel geen bezwaar.
Over haar vertaling van H.G. Wells’ Love and Mr Lewisham (De liefde en de heer Lewishamschrijft hij:
Tegen uw vertaling heb ik niet veel in te brengen. Kleine aanmerkingen zal ik maar voor me houden en een vergelijking met het oorspronkelike heb ik niet gemaakt. Gemakkelik en aangenaam leesbaar is uw vertaling zeker.

Tobben met het Engels

Overigens las hij Engelse literatuur graag in haar vertaling omdat hij zelf meende het Engels onvoldoende te beheersen:
Mij blijft die taal zo vreemd, dat ik telkens en telkens weer Engelsen moet horen spreken om te kunnen geloven, dat er heus mensen bestaan, die om hun gedachten te kunnen mededelen, zulke afschuwelike geluiden moeten maken. En als ik Engels lees, blijf ik altijd in een nevel met het gevoel, dat me raadseltjes worden opgegeven. Zweeds, Noors, Italiaans en Spaans lijken me veel begrijpeliker en 't is me steeds een raadsel, dat zoveel Nederl. jonge dames durven zeggen: o, Engels is zo gemakkelik.
Wat Wells betreft, dank ik u voor de toezending van zijn boek en wil ik ook wel erkennen, dat zijn fantastiese schetsen mij beter voorkomen dan zijn meer realistiese. Een schrijver naar mijn hart is hij evenwel niet. Dat ik met het Engels altijd getobd heb en zal blijven tobben kan daar ook wel wat toe doen. Eerlik gezegd ben ik ook maar zelden een warm bewonderaar van Shakespere en vind ik die man zelfs onuitstaanbaar zodra hij poogt aardig te zijn. 
Hij vraagt haar zelfs om hulp bij enkele passages en woorden die hij niet begrijpt:
Mag ik van de gelegenheid gebruik maken u naar een verklaring van enkele Engelse uitdrukkingen te vragen?
Bl: 231 (Wells) Daar staat tweemaal anticipate en moet dit woord tweemaal iets anders beduiden. Of vergis ik me daarin.
286 His monotine. Wat is dat?
286 passing it on Wat is dat?
286 held his own Wat is dat?
296 Flukes Arm van een anker zegt mijn woordenboek, maar dat past hier toch niet.
296 a fare assisted by pigments Wat is dat?
310 Daar staat herhaaldelik ‘hurt’ zonder voorwerp. Wat betekent dat?
282 Scrap Wat beduidt dit daar?
Laat ik tot besluit de gelegenheid nemen om de tekstbezorging van Nop Maas op dit punt aan te vullen. In noot 159 staat bij deze brief: ‘Het is niet gelukt te achterhalen welk boek van Wells hier aan de orde is.’ Dat was in 2000; inmiddels is heel eenvoudig te achterhalen om welk boek het gaat; dat is de verhalenbundel Tales of Space and Time. Op Gutenberg.org staat een behoorlijke teksteditie, nota bene op basis van dezelfde uitgave die Emants moet hebben gelezen, want zelfs de paginering komt overeen. Daaruit blijkt dat in de hierboven aangehaalde transcriptie van Emants’ handschrift waarschijnlijk twee foutjes zijn gemaakt  (tenzij het Emants zelf was die zich verschreef): ‘monotine’ is allicht ‘monotone’ en ‘a fare’ moet ‘a face’ zijn.

Populaire berichten