Zoeken in deze blog

woensdag 13 september 2017

Maden onder een hoop drek


Begin jaren 90 vond een heruitgave en daarmee een kleine opleving plaats van het werk van Vincent Mahieu/Tjalie Robinson. Ik herinner me dat het destijds hogelijk werd geprezen, maar pas onlangs kwam ik eraan toe om het eens te lezen – en wat is dit verschrikkelijk goed! Tjies doet me denken aan de regionale (maar daarmee zeker niet provinciale!) fictie van Twain, Faulkner of Marquez: net zo indringend – en net zo quasi-mythisch – als hun Mississippi, Yoknapatawpha County en Macondo brengt Mahieu hier het Batavia van zijn jeugd tot leven.

Ik kan me weinig Nederlandse verhalenbundels heugen die zoveel indruk op me hebben gemaakt. Zoals ik me de jaren 80 herinner, ging het toen op school en in de kranten alleen maar over de ‘grote Drie’ en hoe geweldig die waren. De naam van Mahieu heb ik in de klas destijds nooit horen vallen. Ik zou daar nu bijna boos om worden. Dit soort verhalen moet een jong publiek toch veel meer aanspreken dan het narrige geneuzel van een Hermans? Waarom drongen de leraren ons dit niet op, liever dan die steriele spielerei van Mulisch met zijn stugge zinnen, of het lompe betonproza van Hermans?

Bij het lezen van Tjies kreeg ik echt het gevoel dat deze verhalenbundel zich kan meten met het beste van de internationale grootmeesters van het korte verhaal. Het is vooral zijn trefzekere toon en zijn vertelstem die me aanspreken en die me aan grote namen als Twain, Sherwood Anderson of Truman Capote doen denken.

Een zekere internationale inslag is ook Mahieus taalgebruik trouwens niet vreemd. Zijn Nederlands is enerzijds gaaf en klassiek, anderzijds van een enthousiaste vrijheid, gepeperd met Indonesische woorden en met schijnbaar letterlijk vertaald Engels. (Was het Engels in de Nederlandse koloniën een derde of vierde voertaal? Dat ze internationaler georiënteerd waren dan het kikkerlandje zelf, begon ik al te vermoeden toen ik zag dat Henry James’ Daisy Miller al binnen een maand na de Amerikaanse tijdschriftpublicatie in vertaling verscheen in het negentiende-eeuwse Bataviaasch Handelsblad – een krant die ook verhalen van E.A. Poe als feuilleton publiceerde.)

Al binnen enkele pagina’s kom ik anglicismen tegen die elke vertaler tegenwoordig zal proberen te vermijden – maar die Mahieus proza juist een heel eigen karakter geven. Een paar voorbeelden uit de eerste bladzijden van Tjies (cursivering van mij):
Bij ons, jongens, was er in die vermetele ren een katachtige agiliteit in de weergaloos berekende sprongen.
We praatten nog wat casueel in de pauze
Ik haalde haar nonchalant te voorschijn en stak met disdain mijn laatste sigaret op.
Hij was getrouwd met een jong, sterk en primitief meisje en won elk ander jaar een zoon bij haar. 
Je pikt het, omdat uit de omringende tekst duidelijk blijkt dat hier geen slordige of nonchalante schrijver aan het werk is – integendeel! Door die vrijheid en soepelheid heb je er ook geen enkele moeite mee dat hij schrijft over ‘een allene hond’, of dat iets gedaan wordt ‘in één ren’:
Ik wendde me af alsof ik iets diep-beschamends had gezien en liep hard weg. Ik liep aan één stuk door, de gang uit, de hoofdweg af, tot aan het viaduct toe. In één ren.

Begin jaren 90 werden Mahieus verhalen dus heruitgegeven in een verzamelbundel en dit complete verzameld werk is nu al gratis te lezen op DBNL. Dat is fijn voor wie de boeken niet in huis heeft, en ik raad zeker iedereen aan om meteen met lezen te beginnen.

Maar ik vind het ook zorgelijk: wat heeft de erven en de uitgever doen besluiten om het werk nu al gratis vrij te geven? Denken ze dat met een heruitgave van dit werk geen droog brood meer te verdienen valt? Anders gezegd: dat er geen publiek meer is voor deze verhalen? Dat zou toch jammer zijn. Als een bundel van deze kwaliteit in het Engels taalgebied was verschenen, ben ik ervan overtuigd dat het een klassieker was geworden die altijd in druk bleef. Doordat het nu gratis beschikbaar is, is het weliswaar voor iedereen meteen toegankelijk; maar als het nooit meer wordt gedrukt en heruitgegeven, met bijbehorende promotiecampagne en besprekingen in de media, dreigt het ook weg te kwijnen in zijn eigen kleine hoekje op internet, alleen af en toe bezocht door een enkele verdwaalde boekengek.

Meteen na Tjies heb ik ook Tjoek gelezen. (De Indonesische titels van de boeken maken de verwantschap van de bundels nog duidelijker: Cis en Cuk.) Dat is óók een goede verhalenbundel, maar viel me in eerste instantie toch wat tegen. Misschien kwam het mede door de duistere inslag van deze verhalen: Tjies gaat over de kindertijd, Tjoek over de adolescentie en het begin van de volwassenheid. Tjies heeft een aanstekelijke enthousiaste levenskracht. In Tjoek hebben de personages hun (of heeft de wereld zijn) onschuld verloren en is de toon somberder. De vertellers zijn groot geworden, de oorlog en vervolgens ook de ‘politionele acties’ doen hun intrede. Was geweld in Tjies meestal meer een komische mogelijkheid die in de lucht hing, hier is het vaak een gruwelijke realiteit.

Daarnaast doen deze verhalen mij gekunstelder aan – bedacht, gemaakt, met opgelegde symboliek. Alsof Mahieu meer moeite heeft moeten doen om verhaallijnen of situaties te verzinnen. Schijn kan bedriegen, misschien is het juist in Tjies dat hij alles uit zijn duim zoog. Maar die eerdere bundel trof mij meer als een natuurkracht, met die onweerstaanbare overtuiging van een verteller die – hetzij persoonlijke, hetzij collectieve, maar in ieder geval échte – herinneringen aan ons opdist, kunstig aangedikt en opgeleukt tot smeuïge verhalen.

Beide bundels zijn de moeite waard, maar om echt door Mahieu bij je kladden te worden gepakt, kun je volgens mij het beste met Tjies beginnen. Al is het mogelijk dat andere lezers juist de tweede bundel meer waarderen.

Een paar citaten uit Tjies.
Uit ‘Het geval Douwes’:
Wij, sterke mensen, denken vaak: ik snap niet dat zo'n vent haar niet een keer met een stuk ijzer op haar kop slaat. Of wegloopt. Dat is toch geen leven! Maar filosofen (onder anderen meneer Douwes) weten dat zo iets nonsens is. Alle mensen leven eigenlijk zo onder een ander soort dwingelandij. Een op de miljoen ontkomt eraan. Een op de miljoen is onafgebroken opstandig. En alle anderen hebben van hun eigen slavernij (hun baas, hun werk, hun kinderen, hun chef, hun geloof, enzovoort enzovoort) een zo draaglijk mogelijke deugd gemaakt. Met veel excuserend gemotiveer van slappe redenen. Tenslotte is er immers voor alles wat te zeggen? Onder de last van de verdrukking ontdekt men nieuwe levensgangen; de last wordt zelfs een soort levensbron en bescherming. Zo leven ook maden onder een hoop drek.
Uit ‘Didi’:
We probeerden nooit onszelf recht te praten. We probeerden alleen uit te vinden wie we waren en wat het leven was. We vonden dus nooit een oplossing, maar toch was dit praten een verademing. We spraken met korte zinnen, we stelden vragen als een schede en kregen antwoorden als een mes. Het was goed zo.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Populaire berichten