Zoeken in deze blog

vrijdag 29 september 2017

Geen vogel, geen vliegtuig



Michael Redgrave’s Londense opvoering van The Aspern Papers was in 1959 zo’n succes dat zijn toneelbewerking van Henry James’ novelle geëxporteerd werd naar Frankrijk, Nederland en Amerika – en in Londen 25 jaar later met een andere cast nog eens werd hernomen, weer met veel succes.

Van die eerste opvoering met Redgrave zelf in de hoofdrol kan ik op internet alleen twee foto’s uit Nederlandse kranten vinden:

De Telegraaf 12-05-1960

Daarnaast staat er een interessant artikel op de site van de Guardian – geen recensie, maar een voorbeschouwing zoals die ook over de Nederlandse productie werden geschreven. Redgrave vertelt daarin over de moeite die hij zich getroost heeft om de sfeer en de stijl van James’ novelle te behouden,
even to the extent of reproducing, or approximating, ‘the extraordinary convolutions’, as he calls them, ‘of Jamesian prose, which keeps one suspended, from comma to comma, awaiting the disclosure of key words, sometimes until the very ends of sentences.’

Algemeen Handelsblad 22-08-1959

De journalist ontwaart uiteindelijk een gelijkenis tussen de literaire begeerte van James’ hoofdpersoon Henry Jarvis, smachtend naar een vorm van contact met een bewonderde maar helaas al lang overleden auteur – en de gedreven vereenzelviging van Redgrave met de bewonderde James:
Michael Redgrave is standing by Henry Jarvis, the ‘H.J.’ of the play. Or Henry James is standing by H.J., and H.J. is standing by Michael Redgrave. By the end of the interview the fact and fiction of The Aspern Papers were so intermingled that I had to ask a Harrods doorman to direct me to the twentieth century.
(NB: Henry Jarvis is de naam die Redgrave in zijn toneelbewerking aan het mannelijke hoofdpersonage heeft gegeven. In James’ novelle wordt de naam van de hoofdpersoon nooit genoemd.)

He can act!

Van de tweede Londense opvoering in 1984 is meer beeldmateriaal op internet te vinden. Dat heeft wellicht te maken met de man die Michael Redgrave opvolgde in de hoofdrol: Superman.

NRC Handelsblad 16-03-1984
bron: Delpher

Het hele programmaboekje van die voorstelling, met veel foto’s en interessante teksten (en advertenties), is op deze site te bekijken. 


Uit die foto’s is al op te maken dat Clark Kent geen slechte figuur sloeg in een Jamesiaanse setting:


Volgens een biograaf had Reeve de rol te danken aan de James-verfilming The Bostonians, waarin hij een goede indruk had gemaakt op zijn tegenspeelster Vanessa Redgrave. De Britse pers was op voorhand sceptisch over de acteerkwaliteiten van deze jonge Hollywood-ster op de planken – maar Reeve zette een overtuigende Jarvis neer: ‘The Daily Telegraph put it simply, writing “He can act!”’  

Chris Nickson, Superhero: a biography of Christopher Reeve


De cast

De bezetting van de vrouwenrollen was al even interessant: de jongste van de twee personages, nicht Tina – de rol die in Nederland begin jaren 60 met veel succes door Caro van Eyck was gespeeld – ging naar Michael Redgrave’s dochter Vanessa.


Een van de manco’s van de filmversie The Lost Moment is dat Susan Hayward er te mooi uitziet voor het personage dat ze speelt. De Tina die James beschrijft, is een oudere, onverzorgde, weinig aantrekkelijke vrouw:
Her face was not young, but it was simple; it was not fresh, but it was mild. She had large eyes which were not bright, and a great deal of hair which was not ‘dressed’, and long fine hands which were – possibly – not clean. She clasped these members almost convulsively. 
Dan lijkt het niet voor de hand te liggen om die rol te geven aan een vrouw met de aristocratische uitstraling van een Redgrave; maar aan de foto’s te zien wist ze zich in deze voorstelling een passend soort slonzigheid aan te meten.


Ook de bezetting van de tweede vrouwenrol was een link met het verleden: de stokoude tante Juliana werd gespeeld door de inmiddels 71-jarige Wendy Hiller, die in 1959 juist had getekend voor de jongste van de twee vrouwenrollen (de Caro van Eyck-rol dus).


Dat zijn fraaie vormen van continuïteit in een stuk over het verlangen naar tastbaar contact met het verleden. Te meer nu die continuïteit komend jaar nog een staartje krijgt...

Zo de ouden zongen

Volgend jaar (en ik verheug me daarop) wordt aan deze keten weer een nieuwe schakel toegevoegd als Vanessa Redgrave de rol van de stokoude Juliana speelt in een nieuwe verfilming door Julien Landais. Nicht Tina wordt dan gespeeld door Joely Richardson. En dat is toevallig weer... de dochter van Vanessa Redgrave.

Jonathan Rhys Meyers is dan de acteur die in de voetsporen van Michael Redgrave en Christopher Reeve mag treden.


Regisseur Landais is mij totaal onbekend. Niet alleen mij: volgens Wikipedia is deze regisseur en acteur ‘best known for The Aspern Papers’. Dus vooral bekend van een film die nog moet uitkomen en waar bijna niemand van gehoord heeft. Landais heeft nog maar twee andere films op zijn naam staan, Shakki (hier te zien op Vimeo) en Der Doppelganger. Obscure films die zo op het eerste gezicht vooral opvallen door hun mix van glamour, literaire inspiratiebronnen en artistiekerige beeldtaal.

Verder is deze nieuwe filmversie van The Aspern Papers gebaseerd op een toneelbewerking door de Franse James-vertaler Jean Pavans. (Ik heb zijn vertaling van The Beast in the Jungle en The Figure in the Carpet weleens geraadpleegd om te zien hoe hij bepaalde passages heeft geïnterpreteerd.)

Of dat allemaal zal resulteren in een goede James-verfilming is afwachten. Ik ben benieuwd. Ook zonder Superman moet het toch kunnen lukken. Anders proberen we het over een jaar of dertig opnieuw, dan met Joely Richardson als de oude Juliana.

En aangezien de beide eerdere Redgrave-producties van The Aspern Papers in 1959 en 1984 misschien niet de aanleiding waren voor, maar toevallig toch wel steeds samenvielen met de publicatie van een Nederlandse vertaling van James’ novelle, wordt het volgend jaar wellicht ook tijd om weer eens een nieuwe vertaling van dat werk uit te brengen...

woensdag 27 september 2017

Krasse knarren gecast voor Henry James

The Aspern Papers is het tweede boek van Henry James dat werd verfilmd (als The Lost Moment, hier eerder besproken). The Aspern Papers is voor zover mij bekend ook het tweede werk van hem dat in Nederland als boek is verschenen: nadat in 1951 een vertaling van The Turn of the Screw was gepubliceerd (eerdere James-vertalingen in boekvorm zijn mij niet bekend), bracht Wereldbibliotheek in 1959 Een dichterlijke nalatenschap uit.

Ik weet niet of Wereldbibliotheek een speciale reden had om dit boek uit te geven. Misschien was het aangebracht door de vertaler, die blijkbaar uit de universitaire wereld kwam (prof. dr. R. van Brakell Buys) en verder weinig vertalingen op zijn naam lijkt te hebben. Maar toevallig werd datzelfde jaar in Londen een toneelbewerking van dit boek op de planken gebracht die internationaal furore maakte: kan dat de aanleiding zijn geweest? En was de reprise van deze Londense voorstelling dan de aanleiding voor het verschijnen van de tweede Nederlandse vertaling, Brieven van een dode dichter door C. Buddingh’ in 1984?

Algemeen Handelsblad 22-08-1959

De cast

Misschien is dat te vergezocht, maar veel publiciteit kreeg dat toneelstuk in 1959 wel, zelfs in Nederlandse kranten. De bewerking van Michael Redgrave, die in Londen ook de hoofdrol voor zijn rekening nam, werd al snel naar Nederland gehaald. Kranten berichtten aanvankelijk dat Kees Brusse de hoofdrol zou krijgen, maar dat werd uiteindelijk Johan Schmitz.


De vrouwenrollen, eigenlijk nog belangrijker voor het verhaal (zoals wel vaker bij James), gingen in Nederland naar Caro van Eyck en de 60-jarige Louidi Nijhoff als de ‘104-jarige Juliana Bordereau’.

Nieuwsblad van het Noorden, 20-11-1961

Overigens wordt Juliana in krantenartikelen vaak de leeftijd van 104 of 105 toegedicht, en misschien wordt dat in de toneeldialoog ook zo geëxpliciteerd, maar in James’  novelle wordt nergens een exacte leeftijd genoemd. De verteller zegt wel een keer dat ze minstens honderd moet zijn, maar dat is half schertsend. Binnen het vage tijdraam van het verhaal zou ze ook 95 kunnen zijn.


Publiciteitsfoto van de Broadway-opvoering


Het succes

Redgrave’s toneelbewerking maakte een ware internationale zegetocht: zijn versie werd in Frankrijk opgevoerd in een vertaling door Marguerite Duras en het stuk werd ook naar Broadway gehaald. Tegen theatercorrespondent Josephine van Gaasteren in De Telegraaf klaagde Redgrave in juni 1961 dat het met die opvoering nog ‘niet zo vlot loopt’ – omdat hij zijn cast niet bij elkaar kon krijgen.

‘Ontroerende rol van Caro van Eijck’:
Telegraaf, 18-11-1961

Ook in Nederland leek het stuk aan te slaan. Het ging in 1961 in première onder de titel Brieven van een dichter en liep blijkbaar goed genoeg om in 1964 nog hernomen te worden. Daarna werd ook de door John O’Toole gemaakte tv-bewerking in Nederland dunnetjes overgedaan, met weer Caro van Eyck in de hoofdrol.

Toneel lijkt destijds meer media-aandacht te te hebben gekregen dan tegenwoordig, want zelfs over de casting en repetities van het stuk werd in kranten bericht.

Telegraaf, 02-11-1962

Krasse knarren

Ook de voorbereiding van de tv-versie kreeg aandacht. Vooral vanwege de leeftijd van de actrice die Juliana Bordereau speelde. Die was een stuk ouder dan Louidi Nijhoff:

Nieuwsblad van het Noorden, 06-04-1964

‘Een litterair detective-verhaal’

De meeste kritieken die ik vond, zowel van de toneel- als de tv-versie, waren vol lof. Zoals deze van Jan Ubink in Nieuwsblad van het Noorden:

Nieuwsblad van het Noorden, 20-11-1961

Van beide vond ik in Delpher maar één negatieve bespreking. Deze gaat over de tv-versie:

Het Vrije Volk, 17-04-1964


En tonelisten

Wat ik van de verslaggeving hierover verder heb opgestoken – behalve dat actrice Caro van Eyck toen hoog in aanzien stond – is dat ‘tonelist’ begin jaren 60 blijkbaar nog een gangbaar synoniem was voor theatermaker:

Limburgsch Dagblad, 19-01-1962

Het woord tonelist beleeft in Delpher een piek in de jaren 50 en 60 en wordt daarna steeds minder vaak gebruikt. Het woord theatermaker duikt in Delpher pas in 1967 voor het eerst op. Vanaf de jaren 70 lijkt de tonelist dus voorgoed te zijn afgelost door de theatermaker.

Maar dat terzijde. Later meer over de Londense opvoeringen van dit stuk, en een nieuwe verfilming.

(Bron van alle afbeeldingen behalve de Amerikaanse: Delpher.)

dinsdag 26 september 2017

Versteende Oogenblikken

Ik weet niet zeker of The Lost Moment ook in Nederlandse bioscopen heeft gedraaid. Vermoedelijk wel, en in ieder geval werd de film (‘naar het wereldbekend boek’) in onze koloniën met verve aangekondigd.


Op Curaçao werd dit verhaal ‘van Diepe Dramatische Intensiteit’ blijkbaar vertoond met Spaansche ondertitels:

Amigoe di Curacao 14-02-1948
Dat was vast omdat het makkelijker en goedkoper was een kopie met ondertiteling uit de Spaanstalige buurlanden te halen dan een in Nederland vertaald exemplaar te laten overvliegen. Of was Spaans op Curaçao toen een voertaal?

De keuze was in ieder geval reuze. Wie wordt nu niet benieuwd naar die ‘vrouw met haar op de tanden’ in de andere aangekondigde film? Hier zien we haar heel indrukwekkend wegbenen. De snik in de stem van Lou Costello is onbetaalbaar.


Maar terug naar The Lost Moment: ook in voormalig Nederlands Indië werd deze rolprent enthousiast besproken. Nog in 1951 was het Algemeen Indisch Dagblad er ronduit lyrisch over. En ook toen was men al beducht voor spoilers, al noemden ze het anders: ‘Wij zullen U de verdere loop van het verhaal niet onthullen, aangezien daardoor een groot deel van de spanning, waarmee dit filmwerk doortrokken is, verloren zou gaan.’

Algemeen Indisch Dagblad De Preangerbode 20-11-1951

Ik weet alleen niet waarom deze film uit 1947 in 1951 daar nog steeds tot ‘de beste van het jaar' gerekend werd. Misschien gebeurde in het jonge Indonesië alles vier jaar later?

Lost in dubbing?

Een ander curieuze bladzij in de receptiegeschiedenis van deze film vormen de tv-vertoningen van eind jaren tachtig en begin jaren negentig. Toen werd The Lost Moment in Engeland en Duitsland geregeld op tv uitgezonden. Het is grappig om te zien hoe wisselend de film in de tv-overzichten van NRC werd omschreven. Als hij op een Duitse zender werd uitgezonden, heette het meestal een ‘vlakke verfilming’  te zijn (1988). De hoogste lof die de film in NRC kreeg als hij op tv was in Duitsland, was dat hij ‘zich onderscheidt door minutieuze studio-imitatie van Venetië’ (1990).


Maar verscheen de film op de Britse buis, dan was het ineens (in 1991 en 1993) een ‘verdienstelijke verfilming’. Later heette een Duitse tv-herhaling nog steeds een ‘kunstmatige Hollywoodverfilming – met schitterende studiodecors van Venetië’, terwijl de BBC in 1994 volgens NRC weer een ‘verdienstelijke verfilming’ uitzond.


Dat kan toch niet alleen aan de Duitse nasynchronisatie hebben gelegen...

Komt dat zien

Wat aankondigingen betreft: The Aspern Papers is niet alleen verfilmd, maar ook voor toneel bewerkt. En wat valt op in deze advertentie voor zo’n toneelbewerking?


Dat de vertaler er netjes bij vermeld staat.

Wie weet trouwens nog dat G.K. van het Reve ooit een heuse tragedie heeft geschreven?

Maar dat terzijde. Over de toneelbewerking van The Aspern Papers later meer.

(Bron van alle afbeeldingen: Delpher.)

Spanning! Sensatie!


Een duister, vervallen Venetiaans palazzo vol schilderachtige slagschaduwen. Een angstige dienstmeid, een krijsende kat, vage suggesties van voodoo en sadisme. Een in stijf protestants zwart gestoken vrouw des huizes, stug en streng als een meesteres.


En haar tante, een gerimpeld oud besje van over de honderd, dat haar nichtje in haar macht heeft of juist door haar wordt getiranniseerd: wie zal het zeggen? Krijst daar weer een kat in de verte?


Soms is het net een voorstudie van Sunset Boulevard. Ook die film gaat immers over een jongeman met aspiraties, die iets gedaan wil krijgen van een stokoude vrouw. In een barokke setting met een gothic ondertoon.

Maar dit is geen Sunset Boulevard (die film is oneindig veel beter). Dit is The Lost Moment, een film uit 1947. Op papier een verfilming van Henry James’ The Aspern Papers, maar dat moet je niet te serieus nemen; met de novelle van James heeft het verhaal al snel weinig meer te maken. Maar als melodrama met een gothic inslag is deze film, een typisch product van zijn tijd, best te pruimen. Voer voor liefhebbers van film noir. En van Susan Hayward:


U kijkt zo boos, zou JP Balkenende misschien zeggen.
Maar o, wacht tot ze heur haar losgooit...


Dat is trouwens wel het grootste manco van de film. De scenaristen durfden zeker geen film te maken over één man tussen twee onaantrekkelijke vrouwen – bang dat je met lelijke vrouwen geen zalen vol krijgt? Niet alleen hebben ze voor een van de vrouwenrollen dus Susan Hayward gecast (en probeer die maar eens onaantrekkelijk te maken), ze gaven haar ook een ‘gespleten persoonlijkheid’ mee, een destijds veel te populaire plot-ingreep.

Met wat psychologische hocuspocus – het soort psychologie van de koude grond dat ook films als Spellbound ontsiert – hebben ze de eenvoudige en elegante plot van James in mootjes gehakt en er een onnavolgbaar heksenbrouwsel van gekookt. Dat is uiteindelijk nog best vermakelijk. Het vlakke spel van de mannelijke hoofdrolspeler (Robert Cummings) wordt gecompenseerd door de verschijning van Susan Hayward en het spel van enkele bijrolacteurs.

Zo vond ik tuinier Pietro in een korte scène op 38’55” hier verfrissend naturel (dat amechtige):


En ja, de film staat dus in zijn geheel op YouTube, in acceptabele kwaliteit. Kijken!

Een uitgebreide beschrijving van de film (in het Frans) staat op dit blog. Ook vind je een goede kritiek van de film op deze site.

Andere James-verfilmingen

The Lost Moment stamt uit 1947 en was de tweede James-verfilming ooit gemaakt. De allereerste dateert van 1933: Berkeley Square, naar een succesvol toneelstuk uit 1929 dat gebaseerd was op James’ onvoltooide roman The Sense of the Past. Die gaat over een Amerikaan die terugreist in de tijd. Ik heb James nooit met science-fiction geassocieerd, maar juist hij heeft zo dus aan de wieg gestaan van de eerste film over tijdreizen.

Betty Lawford and Leslie Howard in Berkeley Square

Twee jaar na The Lost Moment kwam The Heiress uit, een veel betere film, met onder meer Olivia de Havilland en Montgomery Clift – je weet wel: het slimmere broertje van James Dean.


Montgomery Clift is altijd al genoeg reden om naar de bioscoop te gaan, maar ook los daarvan is The Heiress gewoon een ontzettend goede film. En niet alleen voor James-fanaten.

Met deze twee films, een mislukt melodrama en een meesterwerkje, werd als het ware de aftrap gegeven tot een lange reeks verfilmingen en tv- en theaterbewerkingen van James’ werk. Daarin nemen bewerkingen van The Aspern Papers een speciale plaats in. Binnenkort meer over een andere beroemde bewerking, waaraan uiteindelijk zelfs een superheld kwam meewerken.

zondag 24 september 2017

Tot ondertitelaar gemaakte

Mooi interview in NRC dit weekend met Martine Gosselink, hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum. Ik krijg de indruk dat ze daar heel verstandig bezig zijn en heel goed met kritiek omgaan. Ze proberen de bordjes van onze vaderlandse geschiedenis te verhangen, of eigenlijk te herschrijven, maar doen dat heel weloverwogen.


In de loop van het gesprek komen de koelies in Nederlands-Indië ter sprake.
De klassieke zin ‘de Japanners behandelden ons als koelies’, heb ik mijn grootmoeder letterlijk horen uitspreken. En net zomin als de meeste mensen voelde mijn oma zelf aan dat die zin ook iets zei over de maatschappij die zij mede had vormgegeven. Ik dacht alleen maar: koelies? koelies? Er waren dus kennelijk mensen die voor de Nederlanders ónder hen stonden en als wie ze zich niet wilden laten behandelen: contractarbeiders.
Dat deed me denken aan de roman Koelie van Madelon H. Székely-Lulofs, die ik dit jaar toevallig las. Székely-Lulofs toont daarin wel veel inlevingsvermogen in het leven van die contractarbeiders, maar doet dat volgens mij uiteindelijk toch vanuit de denkwereld van de rijke blanken die van hun arbeid profiteren. Het heeft wel iets weg van de portretten van arbeidersmilieus die je bij naturalisten leest: hoeveel begrip en inlevingsvermogen er ook uit zo'n verhaal spreekt, uiteindelijk is de boodschap toch ‘dat die mensen het nu eenmaal zelf zo willen’, dat ze ‘gewoon niet beter weten’ en op de keper beschouwd eigenlijk ook ‘niet anders zouden willen’.

Dat kan een mooie roman opleveren, maar geen nuttig sociaal pamflet. Dit helpt ons in de klassenstrijd niet verder!


Wat ons volgens mij ook niet verder helpt, is de opmerking waarmee het interview met Gosselink afsluit. De laatste alinea luidt:
Wat ze wel weet: in de slavernij-tentoonstelling zullen de mensen geen ‘slaven’ heten, maar ‘tot slaaf gemaakten’. „Ieder mens wordt als mens geboren, niet als slaaf, ook al was de trans-Atlantische slavernij in feite erfelijk. Mensen werden door het systeem tot slaaf gemaakt, zoals een gevangene gevangen wordt genomen. Tsja, ‘tot slaaf gemaakte’ is wel lelijk. We zouden een woord als ‘geslaafde’ moeten munten.”
Nu heb ik er niets op tegen om het af en toe over ‘tot slaaf gemaakten’ te hebben, om die specifieke betekenisnuance te onderstrepen – zoals in het begin van dit artikel ook gebeurt. Maar het lijkt mij taalkundige onzin om ijzerenheinig in elke tekst en ieder opschrift uitsluitend die omslachtige omschrijving te gebruiken en het simpele synoniem slaaf voorgoed taboe te verklaren – zoals ook in het NRC-artikel zelf niet gebeurt (zoek maar in de tekst op ‘slaaf’ en ‘slaven’).

Gosselinks eigen uitleg ondergraaft eigenlijk al meteen haar redenering: mensen werden inderdaad tot slaaf gemaakt zoals een gevangene gevangen wordt genomen. Toch noemen we gevangenen gewoon gevangenen, en omschrijven we ze niet steeds krampachtig als ‘tot gevangenen gemaakten’ of ‘gevangengenomenen’. (Al vind ik dat laatste eigenlijk wel lekker klinken...) Dat het iets is wat je overkomt, ligt al in het woord besloten.

Dat geldt voor slaaf ook. Gebruik van het woord slaaf impliceert níet automatisch dat het gaat om mensen die door God als slaaf op de wereld zijn gezet. Dat is een essentialistische, contextvrije benadering van taal die ik simplistisch, om niet te zeggen belachelijk vind. Als mensen in een tekst als slaven worden aangeduid, mag je er gerust van uitgaan dat de auteur van de tekst weet dat die mensen door een systeem tot slaven zijn gemáákt. Tenzij je heel ernstige redenen hebt om de auteur van kwade trouw te verdenken.

Maar waarschijnlijk loopt het allemaal wel los en bedoelt ze ook niet letterlijk dat op die slavernij-tentoonstelling het woord slaaf nergens mag worden gebruikt. Zo’n interview is ook maar een verkorte weergave van een gesprek.

En anders loop ik, tot ondertitelaar gemaakte, daar straks gewoon rond als tot wanhoop gedrevene (want niet, in tegenstelling tot wat vrienden weleens denken, wanhopig geboren) – mezelf de hersens pijnigend hoe ik die nieuwe terminologie in de toekomst in godsnaam in mijn ondertitels gepropt krijg...

vrijdag 22 september 2017

Ren je rot


Toen Daisy Miller in 2016 bij Wereldbibliotheek uitkwam, dacht ik: dit is in ieder geval de mooist uitgegeven vertaling van James die tot nu toe in het Nederlands is verschenen.


Toen kende ik Een dichterlijke nalatenschap nog niet, de vertaling van The Aspern Papers door prof. dr. R. van Brakell Buys uit 1959, óók verschenen bij Wereldbibliotheek, als Wereld-boog pocket 133, met een omslagillustratie van Ursula den Tex. Ook heel fraai! (Al blijf ik Daisy de mooiste vinden.)


Brieven van een dode dichter

Ik kwam deze oude vertaling op het spoor toen ik via Delpher in een oude NRC de volgende korte en zure bespreking las van Brieven van een dode dichter, de latere vertaling van The Aspern Papers door C. Buddingh’.


Ik heb beide vertalingen niet diepgaand bestudeerd, maar op basis van een oppervlakkige vergelijking durf ik wel te zeggen dat deze kritiek (van Margot Engelen) nogal onheus is. Buddingh’s vertaling zal vast voor verbetering vatbaar zijn, en ik ben ook zeker van plan om zelf eens een nieuwe vertaling van The Aspern Papers te maken. Het is mijn favoriete novelle van James, in een genre dat binnen zijn oeuvre bovendien mijn favoriete corpus is: verhalen over schrijvers en kunstenaars.

Maar een vluchtige blik in Een dichterlijke nalatenschap is genoeg om vast te stellen dat ook die oudere vertaling verre van perfect is: ik stuit al snel op twee evidente fouten (‘slim’ als vertaling voor ‘ingenuous’ en ‘vol kracht’ als vertaling voor ‘full of craft’) en het taalgebruik van Brakell Buys is zo gedateerd dat zijn tekst zich niet meer voor heruitgave leent. Nu zeker niet meer, maar in 1984 waarschijnlijk evenmin.

Een overzicht van alle mij bekende Nederlandse James-vertalingen heb ik overigens hier online gezet. Misschien wordt het tijd dat er eens een nieuwe vertaling van The Aspern Papers aan wordt toegevoegd. Bijvoorbeeld ter gelegenheid van de nieuwe verfilming van deze novelle, die aangekondigd is voor volgend jaar. Een verfilming met onder meer Vanessa Redgrave, wat in zekere zin historisch is. (Daarover later meer op dit blog.)


Spoiler alert!

De vertaling van Buddingh’ is weliswaar niet zo bar slecht als de narrige NRC-recensent beweert, maar Brieven van een dode dichter bevat één storende fout, in het nawoord door Chris van der Heijden, die ik hier niet onvermeld wil laten, omdat hij tot misverstanden kan leiden.

Die fout betreft de inspiratiebron voor The Aspern Papers, een anekdote die James ooit had gehoord en heeft opgetekend in een notitieboek dat (tot groot genoegen van James-vorsers!) na zijn dood is uitgegeven.

Door die anekdote hier na te vertellen, verraad ik tot op zekere hoogte de plot van The Aspern Papers. Lees dus niet verder als je het verhaal niet kent en er nog door verrast wilt worden.

Taking a runner

De anekdote gaat over een man, Silsbee, die een oude vrouw haar liefdesbrieven wil ontfutselen omdat ze zijn geschreven door een groot dichter. Hij krijgt te horen dat hij die brieven misschien in handen krijgt als hij in het huwelijk wil treden met haar onaantrekkelijke nicht.

Volgens Van der Heijden sluit James de anekdote af met de mededeling
dat ‘Silsbee court encore’ en wat dat precies betekent is niet duidelijk: ‘aarzelend het hof maken’, zoiets wellicht.
Dit is gewoon fout. Het is wel degelijk duidelijk wat ‘Silsbee court encore’ betekent, en dat is zeker niet ‘het hof maken’. James schreef heel goed Frans en doorspekte zijn privécorrespondentie en aantekeningen (net als zijn romans en verhalen) met Franse zinnetjes en zinswendingen. Het gaat dus niet om het Engelse werkwoord court maar om het Franse courir. Als Silsbee te verstaan wordt gegeven dat hij zijn literaire schat alleen kan krijgen ten koste van een huwelijk met de onaantrekkelijke nicht, zet hij het op een lopen, and he’s still running.


Mocht iemand denken dat James een woordspeling kan hebben bedoeld: dat is zeer onwaarschijnlijk. Zulke tweetalige woordspelingen ben ik in zijn werk nog nooit tegengekomen, het past niet bij zijn temperament en manier van denken. Het zou ook nogal een knullige woordspeling zijn, want wanneer je ‘court’ als een Engels woord opvat, is de zin volstrekt ongrammaticaal.

dinsdag 19 september 2017

Venster op vroeger


Als ik screenshots maak van films of tv-programma’s, is dat meestal omdat ik word getroffen door een foute, of juist bijzonder goede of om andere redenen opmerkelijke ondertitel. In dit geval interesseert de ondertitel me helemaal niet. Het gaat me om de Engelse dialoog en wat ik beschouw als een kleine uitglijer van de scenaristen.

Fargo, seizoen 2, aflevering 4. State trooper Lou Solverson zegt: But if I’m right, that window’s closing and you may already be dead. Vrij vertaald, met wat context erbij: Biecht jullie misdaad snel op, dan valt er nog wat te redden. Anders vallen jullie straks ten prooi aan gangsters tegen wie ik jullie niet kan beschermen. That window’s closing, de tijd dringt.

De serie speelt zich af in 1979. Er is natuurlijk veel moeite gedaan om dat in de aankleding van de personages en de decors tot uitdrukking te brengen. Altijd leuk om te zien. Nostalgie-porno.

Maar doen de scenaristen ook moeite om zich in te leven in het taalgebruik van 1979? Het regionale accent van Minnesota ja, dat bootsen de acteurs wel na – dat is dé grote gimmick van de hele serie (en van de film van de gebroeders Coen waarop die is geënt). Maar is de woordkeuze ook consequent historisch verantwoord?

Ik weet vrij zeker van niet.

Dit past niet in mijn denkraam

Wat mij hier dwarszit, is dat window. Tegenwoordig word je in het Engels met die windows doodgegooid. Een willekeurig nieuwsbericht van de BBC:
The latest statement by Kim Jong-un [...] has given the US a window of a few days to negotiate a way of defusing a dangerous standoff, experts said on Tuesday.
Ik kom die windows zo vaak tegen dat ze me gaan tegenstaan. Ik ervaar het als een modewoord en ga me een beetje ergeren aan de vreemde logica: een ruimtelijke metafoor om een tijdsspanne aan te geven.

Nu is die irritatie onterecht: zo'n ruimtelijke metafoor is best gebruikelijk (denk aan ‘tijdbalk’ of ‘tijdvak’) en de onlogica is niet sterker dan in het bij ons heel gangbare ‘gaatje’ (‘heb je nog een gaatje in je agenda?’). Zulke sleetse alledaagse metaforen hebben bovendien één pluspunt waar ik juist heel blij van word: Google Translate kan er niet mee overweg. Zolang wij het woord ‘raam’ tenminste niet gaan gebruiken in de betekenis van ‘tijdraam’ – maar daar ziet het voorlopig niet naar uit.


In ieder geval is de term inmiddels zo gangbaar dat ook een politieagent hem best zou kunnen gebruiken. In het huidige Amerika althans. Maar in 1979? Volgens mij beslist niet. Als ondertitelaar kwam ik de term in de jaren negentig zelden of nooit tegen, daar ben ik vrij zeker van. Ook in de romans die ik toen las, werd window nooit in deze betekenis gebruikt. Het moet later zijn opgekomen.

Het is een kansraam

Dus ik heb er eens op gegoogled. Wanneer heeft deze rare metafoor nou eigenlijk zijn intrede gedaan? Sinds wanneer zijn Engelstaligen op grote schaal het woord venster gaan gebruiken als aanduiding voor een tijdsspanne? En waarom?

Volgens de meeste bronnen die ik vond, is het een verkorting van ‘window of opportunity’. Dat begrip stamt uit de Koude Oorlog en had betrekking op de korte periode waarin je als kernmacht een ander land veilig kunt aanvallen (dus toeslaan en platbombarderen voordat zij de tijd hebben om terug te slaan). De bijbehorende tegenhanger was de ‘window of vulnerability’ waarmee Reagan zijn kiezers bang wilde maken voor de Russen.

Maar laat ik het woord geven aan iemand die er meer verstand van heeft: William Safire. Die schreef in 1993:
WINDOW OF OPPORTUNITY - "availability for action or attack. Space jargon provided the source for the term 'launch window' in the mid-1960s. Another metaphoric 'window' comes from the positioning of bank tellers at one time behind barred windows. The nation's 'credit window' referred to the Federal Reserve's willingness to offer credit; the 'gold window' named the Treasury's willingness to convert gold into dollars. From these 'windows' came the sense of 'small space or short period to get something accomplished.' The phrase 'window of vulnerability' appeared in the 1970s. 'Window of opportunity' describes the view from the other side of that window, providing the chance to pass through an opening in space or time. 'Time' magazine first reported the phrase in its November 12, 1979, issue: 'Frank Barnett of the National Strategy Information Center, a hawkish think tank, warned of a 'Soviet window of opportunity' in the 1980s.' The optimism of the 1980s made the phrase popular."
From Safire's New Political Dictionary by William Safire (Random House, New York, 1993).

Gooi mijn glazen in!

Ik beschik zelf niet over Saffire’s boek, ik heb deze tekst op internet gevonden. Maar als dit inderdaad klopt, dan was die modieuze term ‘window of opportunity’ in 1979 zeker nog geen gemeengoed.

De uitdrukking kwam dus pas op in de jaren 80, nadat mensen in de jaren 70 hadden bedacht dat je de term ‘launch window’ kon oprekken en toepassen op andere verschijnselen. Ergens in de loop van de jaren 90 raakte het vervolgens zo ingeburgerd dat het stilaan gewoon werd afgekort tot ‘window’ zonder meer.

Het duurde toen allemaal nog wat langer voordat nieuwe uitdrukkingen werden opgenomen in het dagelijks taalgebruik. Eén tweet was niet genoeg om covfefe in het woordenboek te krijgen. Dus dit is het tijdpad (!) zoals ik het me nu voorstel.

Tot iemand het tegendeel bewijst met een een tekst uit de jaren 70 of 60 (of zelfs nog eerder?) waarin window wel degelijk wordt gebruikt in de betekenis van ‘tijdvenster’. Misschien ga ik te gemakkelijk voorbij aan die ‘credit window’ en ‘gold window’? Was de term toch al veel eerder gemeengoed?

Ik denk het niet, maar ik zie mijn ongelijk graag aangetoond.

Uit het raam ermee

Voorlopig blijf ik denken: leuk, die closing window in deze dialoog, maar historisch onverantwoord. Lou Solverson zou dit in 1979 nooit zo hebben gezegd. Het is alsof hij ineens een cd’tje in zijn autoradio wil stoppen.

Toch is er vast geen kijker die zich eraan stoort. Terecht: in zo’n tv-serie hoef je de jaren 70 niet perfect te herscheppen. Je moet alleen een geloofwaardige illusie wekken. En dat lukt de makers heel aardig, en ons taalbewustzijn is blijkbaar niet zo groot dat mensen hier massaal over vallen.

Hardcore fans van de serie zullen misschien zelfs aanvoeren dat het juist heel toepasselijk is: Lou Solverson is een bewonderaar van Reagan, die hij in de loop van de serie moet begeleiden op zijn verkiezingstournee door de staat. Logisch en terecht dus dat hij deze mede door Reagan in zwang geraakte uitdrukking bezigt.

Maar dat is te vergezocht; ik denk dat het gewoon een onbedoeld anachronisme in het scenario is.

Bal door eigen raam

En als wij de scenaristen dat vergeven, moeten we misschien ook ondertitelaars niet altijd meteen afbranden als die zich schuldig maken aan een incidenteel anachronisme of ander foutje.

Maar dan moet het wel gaan om incidentele uitglijers en niet om zo’n opeenstapeling van foute en onhandige formuleringen als je bij Fargo op Netflix vindt. Liefhebbers van vertaalfouten (ze bestaan) komen in die serie helaas volop aan hun trekken. Als toetje daarom een stuk ijs, uit dezelfde scène.


We hit some ice. Dat is hun verklaring voor de blikschade aan hun auto. Dat ze op een bevroren weggedeelte in een slip zijn geraakt en tegen een boom geknald. Niet dat ze ‘een stuk ijs’ hebben geraakt.

zaterdag 16 september 2017

De speelpoppen van Siegmund Freud

Als je er als lezer maar een beetje moeite voor wilt doen, staan je in Raymond Brulez’ Het huis te Borgen heel aanstekelijke memoires te wachten. Wat je ervoor over moet hebben? Ikzelf niet zo veel: ik heb een zwak voor Nederlandse teksten in een wat oudere, gedragen stijl, met langere zinnen dan we tegenwoordig gewend zijn. En ik heb een nog groter zwak voor Vlaams Nederlands, wellicht omdat ik er van nabij mee ben opgegroeid. Ik vind het aangenaam om woorden als ‘sloor’ of ‘duts’ ook eens in een geschreven tekst tegen te komen.

Als je dat niet hebt, als je lacherig wordt van oudere uitdrukkingen, en zeker als je alle Vlaamse woorden moet opzoeken omdat ze je onbekend zijn, dan doet de stijl van dit boek misschien zo exotisch aan dat het je afstoot. Misschien vind je het dan een oubollige tekst met een omslachtige zinsbouw, vreemde woordkeus, belegen humor en een overdaad aan literaire pretenties.


Misschien. Ik weet het niet, en ik hoop het niet, want dan mis je ook heel wat moois: geestige en kleurrijke memoires, doortrokken van een fijne ironie. Een levendig portret van een jeugd in een middenstandsmilieu in het Blankenberge van voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Verteld door iemand die rustig de tijd neemt voor zijn zinnen, nog niet opgejaagd door het moordende, aandacht-versplinterende tempo van telefoon, tv en internet. Memoires die me benieuwd maken naar de volgende drie delen van deze autobiografische tetralogie.

Die tetralogie, Mijn woningen, omvat verder Het pakt der triumviren (1951), De haven (1952) en Het mirakel der rozen (1954). ‘Iedere gelijkenis met nog levende of overleden personen is geen toevallige, maar een door de schrijver opzettelijk gewilde’, luidt Brulez' waarschuwing voorin. Toch moet Brulez hier en daar ook heel wat uit zijn duim hebben gezogen, hebben verdicht of aangedikt om een versie van zijn verleden te presenteren die meer aan de eisen van een vlot verhaal dan van de feitelijkheid voldoet.

Dat levert bijvoorbeeld een aardige cameo op van aartshertog Franz Ferdinand, gezien door de ogen van een Vlaamse winkelier:


Bloemrijke uitspraken (al te bloemrijk soms, gezien de personages die hij ze in de mond legt!) over het taalgebruik van de verteller en de gasten in zijn ouders’ hotel:


En wat die ironie betreft: let op dat ‘onverschillig’ in deze passage – deel van een hoofdstuk dat verder zonder veel ironie, zelfs op het sentimentele af een portret schetst van de gouvernante aan wie Brulez duidelijk was verknocht:



De onverschilligheid is trouwens een terugkerend motief in zijn werk. Zijn eerste roman had hij gebaseerd op Watteau's schilderij L'indifferent.

Kostelijk is de beschrijving van zijn eerste schreden op het pad van de liefde (én van de literatuur):


En dat zijn boeken latere generaties niet meer zouden aanspreken, had Brulez zelf al voorzien:


Die val in de vergetelheid heeft hij nog bij leven ondervonden, zoals Jeroen Brouwers in Trouw schreef. Dit eerste deel van zijn autobiografische tetralogie werd weliswaar bekroond en geprezen, maar Brulez werd toen toch al
beschouwd als een schrijffossiel uit een voorbije époque. Tot herdruk van zijn vroegere werk kwam het nauwelijks, nieuw werk kreeg geen aandacht meer. Zijn laatste verhalenbundel, Proefneming tot eenzaamheid (1970), is in stilte verschenen en verdwenen.
In dat opzicht heeft Brouwers zelf (toch ook alweer 77) het momenteel trouwens beter getroffen: aan aandacht voor zijn werk geen gebrek.

Maar de afwezigheid van aandacht is niet altijd terecht. Hoe ouderwets is een schrijver die deze frisse scepsis over de ‘speelpoppen van Freud’ aan de dag legt?


Op DBNL een korte biografische schets van deze ‘humanist die gelijkmoedigheid als hoogste goed beschouwde’.

Populaire berichten