Zoeken in deze blog

zondag 24 september 2017

Tot ondertitelaar gemaakte

Mooi interview in NRC dit weekend met Martine Gosselink, hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum. Ik krijg de indruk dat ze daar heel verstandig bezig zijn en heel goed met kritiek omgaan. Ze proberen de bordjes van onze vaderlandse geschiedenis te verhangen, of eigenlijk te herschrijven, maar doen dat heel weloverwogen.


In de loop van het gesprek komen de koelies in Nederlands-Indië ter sprake.
De klassieke zin ‘de Japanners behandelden ons als koelies’, heb ik mijn grootmoeder letterlijk horen uitspreken. En net zomin als de meeste mensen voelde mijn oma zelf aan dat die zin ook iets zei over de maatschappij die zij mede had vormgegeven. Ik dacht alleen maar: koelies? koelies? Er waren dus kennelijk mensen die voor de Nederlanders ónder hen stonden en als wie ze zich niet wilden laten behandelen: contractarbeiders.
Dat deed me denken aan de roman Koelie van Madelon H. Székely-Lulofs, die ik dit jaar toevallig las. Székely-Lulofs toont daarin wel veel inlevingsvermogen in het leven van die contractarbeiders, maar doet dat volgens mij uiteindelijk toch vanuit de denkwereld van de rijke blanken die van hun arbeid profiteren. Het heeft wel iets weg van de portretten van arbeidersmilieus die je bij naturalisten leest: hoeveel begrip en inlevingsvermogen er ook uit zo'n verhaal spreekt, uiteindelijk is de boodschap toch ‘dat die mensen het nu eenmaal zelf zo willen’, dat ze ‘gewoon niet beter weten’ en op de keper beschouwd eigenlijk ook ‘niet anders zouden willen’.

Dat kan een mooie roman opleveren, maar geen nuttig sociaal pamflet. Dit helpt ons in de klassenstrijd niet verder!


Wat ons volgens mij ook niet verder helpt, is de opmerking waarmee het interview met Gosselink afsluit. De laatste alinea luidt:
Wat ze wel weet: in de slavernij-tentoonstelling zullen de mensen geen ‘slaven’ heten, maar ‘tot slaaf gemaakten’. „Ieder mens wordt als mens geboren, niet als slaaf, ook al was de trans-Atlantische slavernij in feite erfelijk. Mensen werden door het systeem tot slaaf gemaakt, zoals een gevangene gevangen wordt genomen. Tsja, ‘tot slaaf gemaakte’ is wel lelijk. We zouden een woord als ‘geslaafde’ moeten munten.”
Nu heb ik er niets op tegen om het af en toe over ‘tot slaaf gemaakten’ te hebben, om die specifieke betekenisnuance te onderstrepen – zoals in het begin van dit artikel ook gebeurt. Maar het lijkt mij taalkundige onzin om ijzerenheinig in elke tekst en ieder opschrift uitsluitend die omslachtige omschrijving te gebruiken en het simpele synoniem slaaf voorgoed taboe te verklaren – zoals ook in het NRC-artikel zelf niet gebeurt (zoek maar in de tekst op ‘slaaf’ en ‘slaven’).

Gosselinks eigen uitleg ondergraaft eigenlijk al meteen haar redenering: mensen werden inderdaad tot slaaf gemaakt zoals een gevangene gevangen wordt genomen. Toch noemen we gevangenen gewoon gevangenen, en omschrijven we ze niet steeds krampachtig als ‘tot gevangenen gemaakten’ of ‘gevangengenomenen’. (Al vind ik dat laatste eigenlijk wel lekker klinken...) Dat het iets is wat je overkomt, ligt al in het woord besloten.

Dat geldt voor slaaf ook. Gebruik van het woord slaaf impliceert níet automatisch dat het gaat om mensen die door God als slaaf op de wereld zijn gezet. Dat is een essentialistische, contextvrije benadering van taal die ik simplistisch, om niet te zeggen belachelijk vind. Als mensen in een tekst als slaven worden aangeduid, mag je er gerust van uitgaan dat de auteur van de tekst weet dat die mensen door een systeem tot slaven zijn gemáákt. Tenzij je heel ernstige redenen hebt om de auteur van kwade trouw te verdenken.

Maar waarschijnlijk loopt het allemaal wel los en bedoelt ze ook niet letterlijk dat op die slavernij-tentoonstelling het woord slaaf nergens mag worden gebruikt. Zo’n interview is ook maar een verkorte weergave van een gesprek.

En anders loop ik, tot ondertitelaar gemaakte, daar straks gewoon rond als tot wanhoop gedrevene (want niet, in tegenstelling tot wat vrienden weleens denken, wanhopig geboren) – mezelf de hersens pijnigend hoe ik die nieuwe terminologie in de toekomst in godsnaam in mijn ondertitels gepropt krijg...

vrijdag 22 september 2017

Ren je rot


Toen Daisy Miller in 2016 bij Wereldbibliotheek uitkwam, dacht ik: dit is in ieder geval de mooist uitgegeven vertaling van James die tot nu toe in het Nederlands is verschenen.


Toen kende ik Een dichterlijke nalatenschap nog niet, de vertaling van The Aspern Papers door prof. dr. R. van Brakell Buys uit 1959, óók verschenen bij Wereldbibliotheek, als Wereld-boog pocket 133, met een omslagillustratie van Ursula den Tex. Ook heel fraai! (Al blijf ik Daisy de mooiste vinden.)


Brieven van een dode dichter

Ik kwam deze oude vertaling op het spoor toen ik in Delpher de volgende korte en zure bespreking las van Brieven van een dode dichter, de latere vertaling van The Aspern Papers door C. Buddingh’.


Ik heb beide vertalingen niet diepgaand bestudeerd, maar op basis van een oppervlakkige vergelijking durf ik wel te zeggen dat deze kritiek (van Margot Engelen) nogal onheus is. Buddingh’s vertaling zal vast voor verbetering vatbaar zijn, en ik ben ook zeker van plan om zelf eens een nieuwe vertaling van The Aspern Papers te maken. Het is mijn favoriete novelle van James, in een genre dat binnen zijn oeuvre bovendien mijn favoriete corpus is: verhalen over schrijvers en kunstenaars.

Maar een vluchtige blik in Een dichterlijke nalatenschap is genoeg om vast te stellen dat ook die oudere vertaling verre van perfect is: ik stuit al snel op twee evidente fouten (‘slim’ als vertaling voor ‘ingenuous’ en ‘vol kracht’ als vertaling voor ‘full of craft’) en het taalgebruik van Brakell Buys is zo gedateerd dat zijn tekst zich niet meer voor heruitgave leent. Nu zeker niet meer, maar in 1984 waarschijnlijk evenmin.

Een overzicht van alle mij bekende Nederlandse James-vertalingen heb ik overigens hier online gezet. Misschien wordt het tijd dat er eens een nieuwe vertaling van The Aspern Papers aan wordt toegevoegd. Bijvoorbeeld ter gelegenheid van de nieuwe verfilming van deze novelle, die aangekondigd is voor volgend jaar. Een verfilming met onder meer Vanessa Redgrave, wat in zekere zin historisch is. (Daarover later meer op dit blog.)


Spoiler alert!

De vertaling van Buddingh’ is weliswaar niet zo bar slecht als de narrige NRC-recensent beweert, maar Brieven van een dode dichter bevat één storende fout, in het nawoord door Chris van der Heijden, die ik hier niet onvermeld wil laten, omdat hij tot misverstanden kan leiden.

Die fout betreft de inspiratiebron voor The Aspern Papers, een anekdote die James ooit had gehoord en heeft opgetekend in een notitieboek dat (tot groot genoegen van James-vorsers!) na zijn dood is uitgegeven.

Door die anekdote hier na te vertellen, verraad ik tot op zekere hoogte de plot van The Aspern Papers. Lees dus niet verder als je het verhaal niet kent en er nog door verrast wilt worden.

Taking a runner

De anekdote gaat over een man, Silsbee, die een oude vrouw haar liefdesbrieven wil ontfutselen omdat ze zijn geschreven door een groot dichter. Hij krijgt te horen dat hij die brieven misschien in handen krijgt als hij in het huwelijk wil treden met haar onaantrekkelijke nicht.

Volgens Van der Heijden sluit James de anekdote af met de mededeling
dat ‘Silsbee court encore’ en wat dat precies betekent is niet duidelijk: ‘aarzelend het hof maken’, zoiets wellicht.
Dit is gewoon fout. Het is wel degelijk duidelijk wat ‘Silsbee court encore’ betekent, en dat is zeker niet ‘het hof maken’. James schreef heel goed Frans en doorspekte zijn privécorrespondentie en aantekeningen (net als zijn romans en verhalen) met Franse zinnetjes en zinswendingen. Het gaat dus niet om het Engelse werkwoord court maar om het Franse courir. Als Silsbee te verstaan wordt gegeven dat hij zijn literaire schat alleen kan krijgen ten koste van een huwelijk met de onaantrekkelijke nicht, zet hij het op een lopen, and he’s still running.


Mocht iemand denken dat James een woordspeling kan hebben bedoeld: dat is zeer onwaarschijnlijk. Zulke tweetalige woordspelingen ben ik in zijn werk nog nooit tegengekomen, het past niet bij zijn temperament en manier van denken. Het zou ook nogal een knullige woordspeling zijn, want wanneer je ‘court’ als een Engels woord opvat, is de zin volstrekt ongrammaticaal.

dinsdag 19 september 2017

Venster op vroeger


Als ik screenshots maak van films of tv-programma’s, is dat meestal omdat ik word getroffen door een foute, of juist bijzonder goede of om andere redenen opmerkelijke ondertitel. In dit geval interesseert de ondertitel me helemaal niet. Het gaat me om de Engelse dialoog en wat ik beschouw als een kleine uitglijer van de scenaristen.

Fargo, seizoen 2, aflevering 4. State trooper Lou Solverson zegt: But if I’m right, that window’s closing and you may already be dead. Vrij vertaald, met wat context erbij: Biecht jullie misdaad snel op, dan valt er nog wat te redden. Anders vallen jullie straks ten prooi aan gangsters tegen wie ik jullie niet kan beschermen. That window’s closing, de tijd dringt.

De serie speelt zich af in 1979. Er is natuurlijk veel moeite gedaan om dat in de aankleding van de personages en de decors tot uitdrukking te brengen. Altijd leuk om te zien. Nostalgie-porno.

Maar doen de scenaristen ook moeite om zich in te leven in het taalgebruik van 1979? Het regionale accent van Minnesota ja, dat bootsen de acteurs wel na – dat is dé grote gimmick van de hele serie (en van de film van de gebroeders Coen waarop die is geënt). Maar is de woordkeuze ook consequent historisch verantwoord?

Ik weet vrij zeker van niet.

Dit past niet in mijn denkraam

Wat mij hier dwarszit, is dat window. Tegenwoordig word je in het Engels met die windows doodgegooid. Een willekeurig nieuwsbericht van de BBC:
The latest statement by Kim Jong-un [...] has given the US a window of a few days to negotiate a way of defusing a dangerous standoff, experts said on Tuesday.
Ik kom die windows zo vaak tegen dat ze me gaan tegenstaan. Ik ervaar het als een modewoord en ga me een beetje ergeren aan de vreemde logica: een ruimtelijke metafoor om een tijdsspanne aan te geven.

Nu is die irritatie onterecht: zo'n ruimtelijke metafoor is best gebruikelijk (denk aan ‘tijdbalk’ of ‘tijdvak’) en de onlogica is niet sterker dan in het bij ons heel gangbare ‘gaatje’ (‘heb je nog een gaatje in je agenda?’). Zulke sleetse alledaagse metaforen hebben bovendien één pluspunt waar ik juist heel blij van word: Google Translate kan er niet mee overweg. Zolang wij het woord ‘raam’ tenminste niet gaan gebruiken in de betekenis van ‘tijdraam’ – maar daar ziet het voorlopig niet naar uit.


In ieder geval is de term inmiddels zo gangbaar dat ook een politieagent hem best zou kunnen gebruiken. In het huidige Amerika althans. Maar in 1979? Volgens mij beslist niet. Als ondertitelaar kwam ik de term in de jaren negentig zelden of nooit tegen, daar ben ik vrij zeker van. Ook in de romans die ik toen las, werd window nooit in deze betekenis gebruikt. Het moet later zijn opgekomen.

Het is een kansraam

Dus ik heb er eens op gegoogled. Wanneer heeft deze rare metafoor nou eigenlijk zijn intrede gedaan? Sinds wanneer zijn Engelstaligen op grote schaal het woord venster gaan gebruiken als aanduiding voor een tijdsspanne? En waarom?

Volgens de meeste bronnen die ik vond, is het een verkorting van ‘window of opportunity’. Dat begrip stamt uit de Koude Oorlog en had betrekking op de korte periode waarin je als kernmacht een ander land veilig kunt aanvallen (dus toeslaan en platbombarderen voordat zij de tijd hebben om terug te slaan). De bijbehorende tegenhanger was de ‘window of vulnerability’ waarmee Reagan zijn kiezers bang wilde maken voor de Russen.

Maar laat ik het woord geven aan iemand die er meer verstand van heeft: William Safire. Die schreef in 1993:
WINDOW OF OPPORTUNITY - "availability for action or attack. Space jargon provided the source for the term 'launch window' in the mid-1960s. Another metaphoric 'window' comes from the positioning of bank tellers at one time behind barred windows. The nation's 'credit window' referred to the Federal Reserve's willingness to offer credit; the 'gold window' named the Treasury's willingness to convert gold into dollars. From these 'windows' came the sense of 'small space or short period to get something accomplished.' The phrase 'window of vulnerability' appeared in the 1970s. 'Window of opportunity' describes the view from the other side of that window, providing the chance to pass through an opening in space or time. 'Time' magazine first reported the phrase in its November 12, 1979, issue: 'Frank Barnett of the National Strategy Information Center, a hawkish think tank, warned of a 'Soviet window of opportunity' in the 1980s.' The optimism of the 1980s made the phrase popular."
From Safire's New Political Dictionary by William Safire (Random House, New York, 1993).

Gooi mijn glazen in!

Ik beschik zelf niet over Saffire’s boek, ik heb deze tekst op internet gevonden. Maar als dit inderdaad klopt, dan was die modieuze term ‘window of opportunity’ in 1979 zeker nog geen gemeengoed.

De uitdrukking kwam dus pas op in de jaren 80, nadat mensen in de jaren 70 hadden bedacht dat je de term ‘launch window’ kon oprekken en toepassen op andere verschijnselen. Ergens in de loop van de jaren 90 raakte het vervolgens zo ingeburgerd dat het stilaan gewoon werd afgekort tot ‘window’ zonder meer.

Het duurde toen allemaal nog wat langer voordat nieuwe uitdrukkingen werden opgenomen in het dagelijks taalgebruik. Eén tweet was niet genoeg om covfefe in het woordenboek te krijgen. Dus dit is het tijdpad (!) zoals ik het me nu voorstel.

Tot iemand het tegendeel bewijst met een een tekst uit de jaren 70 of 60 (of zelfs nog eerder?) waarin window wel degelijk wordt gebruikt in de betekenis van ‘tijdvenster’. Misschien ga ik te gemakkelijk voorbij aan die ‘credit window’ en ‘gold window’? Was de term toch al veel eerder gemeengoed?

Ik denk het niet, maar ik zie mijn ongelijk graag aangetoond.

Uit het raam ermee

Voorlopig blijf ik denken: leuk, die closing window in deze dialoog, maar historisch onverantwoord. Lou Solverson zou dit in 1979 nooit zo hebben gezegd. Het is alsof hij ineens een cd’tje in zijn autoradio wil stoppen.

Toch is er vast geen kijker die zich eraan stoort. Terecht: in zo’n tv-serie hoef je de jaren 70 niet perfect te herscheppen. Je moet alleen een geloofwaardige illusie wekken. En dat lukt de makers heel aardig, en ons taalbewustzijn is blijkbaar niet zo groot dat mensen hier massaal over vallen.

Hardcore fans van de serie zullen misschien zelfs aanvoeren dat het juist heel toepasselijk is: Lou Solverson is een bewonderaar van Reagan, die hij in de loop van de serie moet begeleiden op zijn verkiezingstournee door de staat. Logisch en terecht dus dat hij deze mede door Reagan in zwang geraakte uitdrukking bezigt.

Maar dat is te vergezocht; ik denk dat het gewoon een onbedoeld anachronisme in het scenario is.

Bal door eigen raam

En als wij de scenaristen dat vergeven, moeten we misschien ook ondertitelaars niet altijd meteen afbranden als die zich schuldig maken aan een incidenteel anachronisme of ander foutje.

Maar dan moet het wel gaan om incidentele uitglijers en niet om zo’n opeenstapeling van foute en onhandige formuleringen als je bij Fargo op Netflix vindt. Liefhebbers van vertaalfouten (ze bestaan) komen in die serie helaas volop aan hun trekken. Als toetje daarom een stuk ijs, uit dezelfde scène.


We hit some ice. Dat is hun verklaring voor de blikschade aan hun auto. Dat ze op een bevroren weggedeelte in een slip zijn geraakt en tegen een boom geknald. Niet dat ze ‘een stuk ijs’ hebben geraakt.

zaterdag 16 september 2017

De speelpoppen van Siegmund Freud

Als je er als lezer maar een beetje moeite voor wilt doen, staan je in Raymond Brulez’ Het huis te Borgen heel aanstekelijke memoires te wachten. Wat je ervoor over moet hebben? Ikzelf niet zo veel: ik heb een zwak voor Nederlandse teksten in een wat oudere, gedragen stijl, met langere zinnen dan we tegenwoordig gewend zijn. En ik heb een nog groter zwak voor Vlaams Nederlands, wellicht omdat ik er van nabij mee ben opgegroeid. Ik vind het aangenaam om woorden als ‘sloor’ of ‘duts’ ook eens in een geschreven tekst tegen te komen.

Als je dat niet hebt, als je lacherig wordt van oudere uitdrukkingen, en zeker als je alle Vlaamse woorden moet opzoeken omdat ze je onbekend zijn, dan doet de stijl van dit boek misschien zo exotisch aan dat het je afstoot. Misschien vind je het dan een oubollige tekst met een omslachtige zinsbouw, vreemde woordkeus, belegen humor en een overdaad aan literaire pretenties.


Misschien. Ik weet het niet, en ik hoop het niet, want dan mis je ook heel wat moois: geestige en kleurrijke memoires, doortrokken van een fijne ironie. Een levendig portret van een jeugd in een middenstandsmilieu in het Blankenberge van voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Verteld door iemand die rustig de tijd neemt voor zijn zinnen, nog niet opgejaagd door het moordende, aandacht-versplinterende tempo van telefoon, tv en internet. Memoires die me benieuwd maken naar de volgende drie delen van deze autobiografische tetralogie.

Die tetralogie, Mijn woningen, omvat verder Het pakt der triumviren (1951), De haven (1952) en Het mirakel der rozen (1954). ‘Iedere gelijkenis met nog levende of overleden personen is geen toevallige, maar een door de schrijver opzettelijk gewilde’, luidt Brulez' waarschuwing voorin. Toch moet Brulez hier en daar ook heel wat uit zijn duim hebben gezogen, hebben verdicht of aangedikt om een versie van zijn verleden te presenteren die meer aan de eisen van een vlot verhaal dan van de feitelijkheid voldoet.

Dat levert bijvoorbeeld een aardige cameo op van aartshertog Franz Ferdinand, gezien door de ogen van een Vlaamse winkelier:


Bloemrijke uitspraken (al te bloemrijk soms, gezien de personages die hij ze in de mond legt!) over het taalgebruik van de verteller en de gasten in zijn ouders’ hotel:


En wat die ironie betreft: let op dat ‘onverschillig’ in deze passage – deel van een hoofdstuk dat verder zonder veel ironie, zelfs op het sentimentele af een portret schetst van de gouvernante aan wie Brulez duidelijk was verknocht:



De onverschilligheid is trouwens een terugkerend motief in zijn werk. Zijn eerste roman had hij gebaseerd op Watteau's schilderij L'indifferent.

Kostelijk is de beschrijving van zijn eerste schreden op het pad van de liefde (én van de literatuur):


En dat zijn boeken latere generaties niet meer zouden aanspreken, had Brulez zelf al voorzien:


Die val in de vergetelheid heeft hij nog bij leven ondervonden, zoals Jeroen Brouwers in Trouw schreef. Dit eerste deel van zijn autobiografische tetralogie werd weliswaar bekroond en geprezen, maar Brulez werd toen toch al
beschouwd als een schrijffossiel uit een voorbije époque. Tot herdruk van zijn vroegere werk kwam het nauwelijks, nieuw werk kreeg geen aandacht meer. Zijn laatste verhalenbundel, Proefneming tot eenzaamheid (1970), is in stilte verschenen en verdwenen.
In dat opzicht heeft Brouwers zelf (toch ook alweer 77) het momenteel trouwens beter getroffen: aan aandacht voor zijn werk geen gebrek.

Maar de afwezigheid van aandacht is niet altijd terecht. Hoe ouderwets is een schrijver die deze frisse scepsis over de ‘speelpoppen van Freud’ aan de dag legt?


Op DBNL een korte biografische schets van deze ‘humanist die gelijkmoedigheid als hoogste goed beschouwde’.

woensdag 13 september 2017

Van ouwe sokken en wat weggeblazen wordt

Bob van den Born, Professor Pi

‘Bradbury was een autodidact die in zekere zin altijd het jochie is gebleven dat werd weggeblazen door Edgar Allen Poe.’ (Auke Hulst in NRC)

Ik wist niet dat Poe zo hard kon blazen!

‘Ik werd compleet omvergeblazen door Lanark.’ (aanbiedingscatalogus Koppernik)

Ik kan het nog niet in Van Dale vinden, maar volgens mij is ons een nieuwe Nederlandse uitdrukking komen aanwaaien. Tegenwoordig wordt een mens niet meer van zijn of haar sokken geblazen, maar weggeblazen. Of omver.
Bob van den Born, Professor Pi
Ik ben er een beetje ondersteboven van. Maar ach, vandaag is het misschien ook wel toepasselijk.

Toch ga ik me nú al ergeren aan de jongere persklaarmakers die over tien jaar ‘van zijn sokken geblazen’ doorstrepen in mijn tekst omdat ze dat ‘oubollig’ vinden. (‘Het is net of ik Dik Trom lees!’) Alsof ik zo’n ouwe sok ben!

Maar enfin. Als vertaler waai je meestal met alle winden mee. Hoe ruk je die wind aanvankelijk ook vindt. Misschien ben ik mijn sokken over een paar jaar zelf ook vergeten. Niet alles was vroeger altijd beter. (De strips en krantencartoons natuurlijk wel!) Nostalgie is een verdachte drijfveer.

In het hierboven aangehaalde artikel wordt Ray Bradbury door Hulst trouwens een ‘ouderwetse’ sciencefiction-schrijver genoemd omdat hij ‘over de toekomst schreef vanuit een hunkering naar het verleden’. Dat maakt Ray Bradbury, realiseer ik me ineens, helemaal niet tot een ouderwetse, maar tot een exemplarische sciencefiction-schrijver.

Neem Star Trek. Ik neem aan dat Auke Hulst dat als moderne sciencefiction beschouwt. Maar ook dat is doortrokken van nostalgie. Sinds de scenaristen het Holodeck bedachten, is dat een van de populairste toevluchtsoorden voor personages, scriptschrijvers én kijkers van de serie. Van captain Picard tot captain Janeway, allemaal doen ze niets liever dan door die futuristische geluidloze schuifdeuren het verleden binnenstappen om daar avonturen te beleven in een voorbije wereld die we simpeler, overzichtelijker en aantrekkelijker wanen. Of het nu het Amerika van de drooglegging of het Wilde Westen is – of zelfs de Tweede Wereldoorlog! Het wordt allemaal aantrekkelijk door de lens van de toekomst.

Misschien is dat ook waar populisten eigenlijk naar verlangen: die willen niet terug naar de jaren vijftig (of dertig, of de tijd van de slavernij). Ze willen terug naar de opgepoetste kunstmatige versie daarvan die ze zich dromen achter de schuifdeuren van het Holodeck.

Zouden ze toch eens vaker naar Star Trek moeten kijken, want meestal loopt het achter die schuifdeuren gierend uit de hand, door een ionenstorm of een computerdefect...

Maden onder een hoop drek


Begin jaren 90 vond een heruitgave en daarmee een kleine opleving plaats van het werk van Vincent Mahieu/Tjalie Robinson. Ik herinner me dat het destijds hogelijk werd geprezen, maar pas onlangs kwam ik eraan toe om het eens te lezen – en wat is dit verschrikkelijk goed! Tjies doet me denken aan de regionale (maar daarmee zeker niet provinciale!) fictie van Twain, Faulkner of Marquez: net zo indringend – en net zo quasi-mythisch – als hun Mississippi, Yoknapatawpha County en Macondo brengt Mahieu hier het Batavia van zijn jeugd tot leven.

Ik kan me weinig Nederlandse verhalenbundels heugen die zoveel indruk op me hebben gemaakt. Zoals ik me de jaren 80 herinner, ging het toen op school en in de kranten alleen maar over de ‘grote Drie’ en hoe geweldig die waren. De naam van Mahieu heb ik in de klas destijds nooit horen vallen. Ik zou daar nu bijna boos om worden. Dit soort verhalen moet een jong publiek toch veel meer aanspreken dan het narrige geneuzel van een Hermans? Waarom drongen de leraren ons dit niet op, liever dan die steriele spielerei van Mulisch met zijn stugge zinnen, of het lompe betonproza van Hermans?

Bij het lezen van Tjies kreeg ik echt het gevoel dat deze verhalenbundel zich kan meten met het beste van de internationale grootmeesters van het korte verhaal. Het is vooral zijn trefzekere toon en zijn vertelstem die me aanspreken en die me aan grote namen als Twain, Sherwood Anderson of Truman Capote doen denken.

Een zekere internationale inslag is ook Mahieus taalgebruik trouwens niet vreemd. Zijn Nederlands is enerzijds gaaf en klassiek, anderzijds van een enthousiaste vrijheid, gepeperd met Indonesische woorden en met schijnbaar letterlijk vertaald Engels. (Was het Engels in de Nederlandse koloniën een derde of vierde voertaal? Dat ze internationaler georiënteerd waren dan het kikkerlandje zelf, begon ik al te vermoeden toen ik zag dat Henry James’ Daisy Miller al binnen een maand na de Amerikaanse tijdschriftpublicatie in vertaling verscheen in het negentiende-eeuwse Bataviaasch Handelsblad – een krant die ook verhalen van E.A. Poe als feuilleton publiceerde.)

Al binnen enkele pagina’s kom ik anglicismen tegen die elke vertaler tegenwoordig zal proberen te vermijden – maar die Mahieus proza juist een heel eigen karakter geven. Een paar voorbeelden uit de eerste bladzijden van Tjies (cursivering van mij):
Bij ons, jongens, was er in die vermetele ren een katachtige agiliteit in de weergaloos berekende sprongen.
We praatten nog wat casueel in de pauze
Ik haalde haar nonchalant te voorschijn en stak met disdain mijn laatste sigaret op.
Hij was getrouwd met een jong, sterk en primitief meisje en won elk ander jaar een zoon bij haar. 
Je pikt het, omdat uit de omringende tekst duidelijk blijkt dat hier geen slordige of nonchalante schrijver aan het werk is – integendeel! Door die vrijheid en soepelheid heb je er ook geen enkele moeite mee dat hij schrijft over ‘een allene hond’, of dat iets gedaan wordt ‘in één ren’:
Ik wendde me af alsof ik iets diep-beschamends had gezien en liep hard weg. Ik liep aan één stuk door, de gang uit, de hoofdweg af, tot aan het viaduct toe. In één ren.

Begin jaren 90 werden Mahieus verhalen dus heruitgegeven in een verzamelbundel en dit complete verzameld werk is nu al gratis te lezen op DBNL. Dat is fijn voor wie de boeken niet in huis heeft, en ik raad zeker iedereen aan om meteen met lezen te beginnen.

Maar ik vind het ook zorgelijk: wat heeft de erven en de uitgever doen besluiten om het werk nu al gratis vrij te geven? Denken ze dat met een heruitgave van dit werk geen droog brood meer te verdienen valt? Anders gezegd: dat er geen publiek meer is voor deze verhalen? Dat zou toch jammer zijn. Als een bundel van deze kwaliteit in het Engels taalgebied was verschenen, ben ik ervan overtuigd dat het een klassieker was geworden die altijd in druk bleef. Doordat het nu gratis beschikbaar is, is het weliswaar voor iedereen meteen toegankelijk; maar als het nooit meer wordt gedrukt en heruitgegeven, met bijbehorende promotiecampagne en besprekingen in de media, dreigt het ook weg te kwijnen in zijn eigen kleine hoekje op internet, alleen af en toe bezocht door een enkele verdwaalde boekengek.

Meteen na Tjies heb ik ook Tjoek gelezen. (De Indonesische titels van de boeken maken de verwantschap van de bundels nog duidelijker: Cis en Cuk.) Dat is óók een goede verhalenbundel, maar viel me in eerste instantie toch wat tegen. Misschien kwam het mede door de duistere inslag van deze verhalen: Tjies gaat over de kindertijd, Tjoek over de adolescentie en het begin van de volwassenheid. Tjies heeft een aanstekelijke enthousiaste levenskracht. In Tjoek hebben de personages hun (of heeft de wereld zijn) onschuld verloren en is de toon somberder. De vertellers zijn groot geworden, de oorlog en vervolgens ook de ‘politionele acties’ doen hun intrede. Was geweld in Tjies meestal meer een komische mogelijkheid die in de lucht hing, hier is het vaak een gruwelijke realiteit.

Daarnaast doen deze verhalen mij gekunstelder aan – bedacht, gemaakt, met opgelegde symboliek. Alsof Mahieu meer moeite heeft moeten doen om verhaallijnen of situaties te verzinnen. Schijn kan bedriegen, misschien is het juist in Tjies dat hij alles uit zijn duim zoog. Maar die eerdere bundel trof mij meer als een natuurkracht, met die onweerstaanbare overtuiging van een verteller die – hetzij persoonlijke, hetzij collectieve, maar in ieder geval échte – herinneringen aan ons opdist, kunstig aangedikt en opgeleukt tot smeuïge verhalen.

Beide bundels zijn de moeite waard, maar om echt door Mahieu bij je kladden te worden gepakt, kun je volgens mij het beste met Tjies beginnen. Al is het mogelijk dat andere lezers juist de tweede bundel meer waarderen.

Een paar citaten uit Tjies.
Uit ‘Het geval Douwes’:
Wij, sterke mensen, denken vaak: ik snap niet dat zo'n vent haar niet een keer met een stuk ijzer op haar kop slaat. Of wegloopt. Dat is toch geen leven! Maar filosofen (onder anderen meneer Douwes) weten dat zo iets nonsens is. Alle mensen leven eigenlijk zo onder een ander soort dwingelandij. Een op de miljoen ontkomt eraan. Een op de miljoen is onafgebroken opstandig. En alle anderen hebben van hun eigen slavernij (hun baas, hun werk, hun kinderen, hun chef, hun geloof, enzovoort enzovoort) een zo draaglijk mogelijke deugd gemaakt. Met veel excuserend gemotiveer van slappe redenen. Tenslotte is er immers voor alles wat te zeggen? Onder de last van de verdrukking ontdekt men nieuwe levensgangen; de last wordt zelfs een soort levensbron en bescherming. Zo leven ook maden onder een hoop drek.
Uit ‘Didi’:
We probeerden nooit onszelf recht te praten. We probeerden alleen uit te vinden wie we waren en wat het leven was. We vonden dus nooit een oplossing, maar toch was dit praten een verademing. We spraken met korte zinnen, we stelden vragen als een schede en kregen antwoorden als een mes. Het was goed zo.

Dreadful

Sybille Bedford, A Favourite of the Gods

zondag 10 september 2017

Bamzaaistokjes


Uit de inboedel van mijn vorig jaar overleden moeder dook deze week ineens dit voorwerp op: een etuitje met drie stokjes, ongeveer ter grootte van een lucifer, én in de vorm van een lucifer. De tekst op het hoesje wees uit dat dit in de jaren 70 werd uitgedeeld aan klanten in het (toen nog) eetcafé van mijn ouders. Ik was ze totaal vergeten, maar wist bij het weerzien wel meteen dat ik als kind veel met die kleine stokjes had gespeeld. Het is van plastic en het heeft een kleurtje, meer had je als kind toen niet nodig om je te vermaken. Maar waar dienden ze eigenlijk voor?

Mijn oom moest mijn geheugen opfrissen, en toen bleek het om een zeldzaam nutteloos voorwerp te gaan, een hulpmiddel voor een spelletje dat in die jaren een kleine rage moet zijn geweest. Nutteloos, omdat deze stokjes dubbel overbodig zijn. Spelletjes zijn natuurlijk per definitie nutteloos, dat is het hele idee. Maar deze stokjes bootsen lucifers na, omdat ze zijn bedoeld voor een spel dat ook gewoon met lucifers kon worden gespeeld. Dat is toch wel de nutteloosheid ten top, zeker in een tijd dat er in cafés nog volop werd gepaft en er dus altijd ruimschoots lucifers voorhanden waren.

Het spel heette knobbelen of bamzaaien. Een eenvoudig caféspelletje, nog simpeler dan steen-schaar-papier. Beschrijvingen zijn op internet of Wikipedia te vinden.

Sterker nog, Jacobse en Van Es hebben er een instructiefilmpje voor gemaakt:

En mede omdat Koot en Bie er een sketch aan wijdden, denk ik dat het destijds een kleine rage moet zijn geweest. (Aan het filmpje zie je dat Koot en Bie ook erg flauw konden zijn; ik vind de grap hier wel heel dun, en de sketch duurt errug lang.)

Of hebben zij er een rage van gemáákt? Hoe het ook zij, het was blijkbaar populair genoeg om er plastic merchandising voor te produceren; tot ver in de jaren tachtig aan toe, als de informatie op deze site klopt, en blijkbaar ook in andere kleuren:

Zelfs in de literatuur zijn bamzaaistokjes niet geheel onopgemerkt gebleven. Het vrij recente gedicht ‘In de verte’ van K. Schippers begint ermee:
Je hebt iets uitgeleend, je wilt het terug,
een boek of zijn het bamzaaistokjes, je
krijgt ze niet en je denkt: ik laat het zo.
Op de site van Poetry International staat de tekst en leest hij het voor.

Nutteloze kennis, nutteloze stokjes – en daarmee misschien ook K.Schippers-voorwerpen bij uitstek?

Ik laat het zo.

woensdag 6 september 2017

Denken bij hot-jazz


Mijn recente eerste – en aangename – kennismaking met Willy Corsari, Door een noodlottig ongeval, deed me denken aan het werk van Daphne Du Maurier en Patricia Highsmith. Dit Voetstappen op de trap, een rechttoe-rechtaan detective, is óók heel aardig. Het is lang niet zo verouderd qua sfeer en stijl als je op basis van de publicatiedatum zou kunnen verwachten. Voor een hoorspelbewerking zou je de precieze formulering van de dialogen misschien iets moeten aanpassen, maar niet eens zo gek veel. Het leest vlotter dan ik me Agatha Christie herinner, en de psychologie vind ik ook interessanter. Ik wil niet te veel van de plot verraden, maar de pathologie van een moordenaar die ze uiteindelijk opdist, heeft wel wat weg van Highsmiths Ripley – maar dan van buitenaf beschreven.
Verder heeft het boek niet zoveel om het lijf, maar als misdaadlectuur vond ik het heel onderhoudend.

Dit boek is dertig jaar ouder dan Door een noodlottig ongeval, en een enkele keer merk je dat nog aan een ouderwetsere uitdrukking of een opvallende spelling. Zo werd ‘joch’ door Corsari (en haar tijdgenoten?) blijkbaar met een G geschreven: jog. Maar vergeleken met het werk van bijvoorbeeld Top Naeff is ook het vooroorlogse proza van Corsari een wonder van vlotheid en moderne bondigheid.

Deze passage dateert het boek wel duidelijk als iets ‘van vroeger’. Niet het taalgebruik, maar het beeld:
Harp spelend op een wolk: het is nog steeds meteen begrijpelijk. Maar als je dat beeld nu gebruikt, is het waarschijnlijk als bewust stijlmiddel, om een archaïsch of nostalgisch tintje te injecteren in je tekst (of je film: de broertjes Coen zouden het kunnen doen).

Bij deze zin vroeg ik me af: is dit een stijlbloempje, of zoek ik spijkers op laag water?
Ik zou het woord ‘spruiten’ in déze zin niet meteen gebruiken...
Maar waarschijnlijk is het gewoon een grapje.

Net als deze keurige manier om te beschrijven dat de butler rondloopt met ‘a stick up his arse’...
Net als bij Maigret speelt ook de echtgenote van de hoofdpersoon, inspecteur Lund, een bescheiden rol in het verhaal:
En ook deze inspecteursvrouw is weliswaar een brave vooroorlogse echtgenote die zich vooral bezighoudt met het breien van jumpers (toen droegen mensen nog jumpers!) en het bakken van cake, maar ze krijgt toch iets meer smoel dan mevrouw Maigret:
Tot slot een passage die me uit het hart gegrepen is:
Willy Corsari was nu eens een schrijver die geen lijstduwer van de Dierenpartij zou zijn geworden!

dinsdag 5 september 2017

Het spel der snelle driften

Een ander aardig verhaal in Top Naeffs Juffrouw Stolk (waarover hier nog meer) heeft de tuttige titel ‘Hans en Hansje’. Het is het verhaal van een huwelijksreis. Het scherpste daarin is Naeffs beschrijving van de aanvankelijke ontgoocheling: het voor het eerst helemaal op elkaar aangewezen zijn en merken dat er iets ontbreekt; de opeenstapeling van kleine irritaties, alles natuurlijk beginnend met de teleurstellende eerste nacht. Die is gelukkig niet zo vernietigend als de huwelijksnacht in McEwans On Chesil Beach, maar toch weinig extatisch:
Zonder het leven voorbarig zijn liefste geheimen te willen ontfutselen, had Hansje naar de grote dag toegeleefd, waarop zij de sluier [...] mocht laten vallen, maar toch met stijgende en ietwat popelende verwachtingen omtrent Hans, de man.
Verwachtingen, waarvan deze man, na het spel der snelle en verbijsterende driften, toen hij al welbehaaglijk snurkte met zijn rug naar zijn gezellin, nog geen flauw vermoeden had, maar waarnaar zij met grote open ogen lag te staren als naar een vlucht van nachtvlinders in het donker. 
Het verhaal eindigt uiteindelijk weer heel braaf, als het paar in Parijs op een rouwstoet stuit en besluit mee naar binnen te slippen in de kerk om de rouwmis bij te wonen. De confrontatie met het verdriet van de nabestaanden doordringt hen van de vergankelijkheid van het bestaan. Daardoor nader tot elkaar gebracht lijken ze dan toch het geluk te vinden dat hen eerst alleen als een kil en onbereikbaar ideaal van marmer was verschenen in een museum, in deze fraaie scène:
Lago di Como. Villa Carlotta.
Door de open deuren zweven de duizend-bloemengeuren uit de verrukkelijke tuin het blauwe zaaltje binnen, waar het koel is en stil. Op zwartmarmeren voetstuk tegenover de ingang houdt een kleine gevleugelde god, op één knie neergestreken, de liefste omvat, met het gebaar dat geen man in zijn geval ooit in tederheid overtrof. In de ronding van zijn rechterarm ligt haar hoofd geboeid en gebed, het is of het warme leven van zijn vingertoppen drupt en haar marmeren wang doet blozen. In zijn linker handpalm heft hij haar kleine blanke borst, als een duif op het punt van weg te vliegen, en van zijn gebogen hoofd, dat zij met vrome handen tot zich trekt, schijnt de liefde af gelijk een hemels licht op haar bereid gezicht.
‘Amor en Psyche’ wereldberoemd!
Hans en Hansje staan ervóór, op een afstand, die zij niet durven verkorten.
Adembenemend ligt daar het grote geheim vóór hen. Voor het eerst aanschouwen zij de mens in zijn verheven naaktheid, het mensen-paar, dat de goddelijke belofte in zich draagt.
Er zijn geen andere bezoekers op dit morgenuur. Het maakt de ontmoeting met de marmerstille bewoners, door wier aderen het vuur van de oergloed stroomt, des te aangrijpender.
‘Canova,’ fluistert Hans nog, louter om zich van zijn plicht jegens Baedeker te kwijten.
De jonge vrouw verroert zich niet van haar plek. Het is, of zij angstig wacht op de kus dier weke lippen en in de van lust geloken ogen zoekt naar de heilige geest, welke dit paar, in de geur van rozen en glycinen, tot in alle eeuwigheid bezielt. Buiten in de bruidstuin jubelen de vogels en de bijen door het open raam zoemen de baspartijen van het hymne, waarvan zij met Hans de noten leerde, zonder nog iets van de melodie te verstaan. Ja, o ja, zij weet het opeens, daar moet op deze gezegende aarde nog iets anders zijn dan hetgeen zij samen beleefden! Maar hoewel zij dit nu weet, en ook dat Hans – in zijn wit shirt van de jonge god niet zóveel verschillend – op twee passen naast haar staat, wendt zij het hoofd niet naar hem om. Want het is haar, of zij zich dan, oog in oog, voor hem zou moeten schamen.
En ook de jongeman staat daar in gedachten verzonken vóór zijn evenbeeld, gevleugeld weliswaar, maar overigens een man gelijk hij, en voor de lieve last, die hij in zijn armen de blauwe hemel indraagt. Doch het verlangen dat in hem opkomt, nu ook de kleine Psyche aan zijn zijde in zijn armen te sluiten, in dezelfde vaste, innige greep zijner handen om al het tedere wat zij bezit, weerstaat hij. Te ver beneden het voorbeeld zouden zij blijven, een pijnlijke mislukking in de vroege ochtend.
Als een schooljongen die zijn beurt heeft gemist, en zó zacht als vreesde hij het minnend paar te storen, keert hij zich af en slipt op zijn witte rubberschoenen onhoorbaar naar de tuin der dromen terug.
Het beeldhouwwerk kende ik nog niet. Mogelijk ging Naeff ervan uit dat de goed opgeleide lezer dit ‘wereldberoemde’ beeld wel kende van foto’s in kunstgeschiedenisboeken, maar de detaillering van haar beschrijving suggereert dat ze daar niet op wilde vertrouwen.

Tegenwoordig is alles gelukkig maar een muisklik ver weg. En dan blijkt dat het beeld, net als Naeffs beschrijving ervan, niet mis is:


Alleen is één aspect van de ervaring van Hans en Hansje waarschijnlijk niet herhaalbaar: ‘Er zijn geen andere bezoekers op dit morgenuur. Het maakt de ontmoeting met de marmerstille bewoners, door wier aderen het vuur van de oergloed stroomt, des te aangrijpender.’
Geen andere bezoekers bij Canova’s Amor en Psyche? Kom daar tegenwoordig maar eens om in het Louvre, waar ook een exemplaar van dit beeld staat:


Maar misschien is het in de Villa Carlotta (ook nu nog steeds) rustiger?

Nijpende dienstbodennood



Nieuwsgierig geworden door Top Naeffs Aan de poort, dat me zeer beviel, wilde ik ook wat van haar korte verhalen lezen. Daarin vond ik hetzelfde fraaie, ietwat plechtige maar altijd heel leesbare Nederlands als in die roman, en vooral de kwaliteit die deze bundel nog de moeite waard maakt: een verfijnde (en soms ook minder verfijnde) ironie. Die komt het best tot uiting in het verhaal ‘De boodschap’, waarvan ik hieronder de eerste vier pagina’s weergeef.

Toch vallen de verhalen uiteindelijk ook wat tegen, doordat ze wel erg braaf en burgerlijk van moraal zijn. Zo ironisch en bijna nietsontziend als ‘De boodschap’ begint, zo zoet loopt het uiteindelijk af, met een – weliswaar fraai onderkoelde – sentimentaliteit waarvoor Dickens zich niet zou schamen. Op Kerstavond, dat ook nog!

De flaptekst verwoordt het zo: ‘Top Naeff begrijpt deze jeugd. Zij verstaat de vrijgevochtenheid, het quasi-cynisme, de would-be-immoraliteit, want zij kijkt een beetje dieper dan de schijn.’ En de verhalen hebben inderdaad veelal die Libelle-achtige toon, van een schrijfster op leeftijd die het allemaal al heeft gezien en meewarig het hoofd schudt over de onbezonnen jeugd die zich druk maakt om kleinigheden. Het is allemaal iets te lievig.

De eerdere roman Aan de poort kleeft dat bezwaar niet aan: als verslag van een obsessie heeft dat een maniakale gedrevenheid. Tegen het eind van dat verhaal is alle lievigheid er wel vanaf. Dat maakt het zo’n interessant boek.

Anderzijds is Naeffs psychologisch inzicht ook hier meestal raak, en mede vanwege haar stijl, al is die dan wat gedateerd – of misschien juist daarom – ben ik toch blij dat ik dit gelezen heb.

Hier is het begin van ‘De boodschap’:



Zie verder ook dit blogbericht.

maandag 4 september 2017

Nader tot... James?

Enkele uit Delpher opgedoken varia over James. (De oogst blijft beperkt omdat lang niet alle kranten daarin zijn vertegenwoordigd.)

In zijn recensie van Reve’s Nader tot u vergeleek Ab Visser de stijl met die van James, iets waar ik zelf niet meteen aan zou denken. Maar ach, misschien zit er wat in. In ieder geval had Henry James net als Gerard Reve een geleerde broer.
Telegraaf, 06-05-1966


En in 1992...

  • Had de Telegraaf nog een katern dat ‘Vrouw’ heette, zoals sommige kranten nu nog een speciale pagina voor kinderen hebben.
  • Won een 17-jarige scholier een essaywedstrijd met een essay over een roman van Henry James, nadat een ander boek eerst ‘veel te moeilijk’ was gebleken.
Telegraaf, 03-06-1992

Of heeft de Telegraaf nog stééds een weekendbijlage ‘Vrouw’? Omdat de vrouw, na de hele week door haar gade op de hoogte te zijn gehouden van de gebeurtenissen op het wereldtoneel zoals uiteengezet in de overige, niet speciaal voor vrouwen bedoelde pagina’s van hun beider dagblad, in het weekend ook zélf wel eens iets te lezen wil hebben?

zaterdag 2 september 2017

Verpest een boek met één letter


De nieuwste Twitter-rage om te spelen met bekende boektitels is leuk. Maar creatieve genieën deden dit natuurlijk al lang vóórdat Twitter eraan had gedacht. Zoals Larry David in Curb Your Enthusiasm, zo'n tien jaar geleden:





Terreuraanslag... op Henry James!

Dit is hem dan, de auteur over wie Adriaan van der Veen schreef (NRC, 23-02-1972) dat hij ‘een van de aardigste en hoffelijkste mensen moet zijn geweest die ooit op de aardbodem hebben rondgelopen’: hij legde naast de typemachine repen chocola klaar voor de dame aan wie hij zijn romans dicteerde. Zo'n lieve knuffelbeer: what’s not to love?

portret van James door Singer Sargent
Henry James door John Singer Sargent (gest. 1925) [Public domain], via Wikimedia Commons

Maar toch hield niet iederéén van Henry James. We zagen het al bij J.J. Peereboom. En in 1914 gebeurde er dit:


De schilder heette overigens John Singer Sargent, dus geen J.C.

En mochten bezorgde lezertjes zich afvragen hoe het die arme ‘kiesrechtvrouw’ in het cachot is vergaan: primadeluxe. Ze kwam al snel op vrije voeten dankzij... een hongerkuur. Even lekker ontslakken, dat deden ze toen dus ook al?


Toch had het een haartje gescheeld, zo blijkt uit een ander krantenverslag, of ze was ter plekke door omstanders geluncht! (Toast kannibaal, anyone?)


Maar de kiesrechtvrouwen gaven niet op: luttele dagen later pleegde een andere suffragette (een ‘liefelijk schepsel, dat nota bene al 50 jaar oud is’) weer een ‘bijltjesaanslag’.


Het was een ware vrouwelijke rage in Engeland, een feministische beeldenstorm. En in de consternatie werd Henry James door de verslaggever tot philosoof gebombardeerd – maar misschien verwarde hij hem met zijn geleerde broer.

Op de site van de Royal Academy is goed te zien hoe het schilderij was verminkt:

Henry James’ verbouwereerde blik na de feministische terreuraanslag.

Ik lees daar dat de feministen het ook hadden voorzien op dit ehm... kiekje van de ‘Primavera’. 

George Clausen, ‘Primavera’. ‘Current whereabouts unknown.’

Maar wat ik nou vreemd vind: van deze Primavera is, net als van een ander destijds aangevallen werk, niet meer bekend waar het zich bevindt. Ze hebben daar toch geen Duitse bezetting gehad? Is het zo'n rotzooi in de administratie van de Royal Academy? Of heeft een ouwe snoeper uit het bestuur dit werkje voor de oorlog meegenomen om thuis boven zijn bed te hangen?

En we gaan natuurlijk niet beweren dat de Engelse ‘kiesrechtvrouwen’ cultuurbarbaren waren. Ze hadden gewoon, en terecht, een heilig geloof in de goede zaak en gingen heel ver in hun strijd daarvoor. Tot publieke zelfmoord aan toe, al dan niet met opzet: één vrouw heeft zich in 1913 namelijk voor de paarden geworpen in Ascot . En daar zijn filmbeelden van!

Ja, het vrouwenkiesrecht is met veel bloed, zweet en tranen bevochten. Gedenkt hun moed.

Populaire berichten