Zoeken in deze blog

zaterdag 14 april 2018

Poppetjespleidooi

In een interview met Maaike Hartjes in NRC deze week worden de figuurtjes in haar strips ‘stokpoppetjes’ genoemd. Dat is blijkbaar het eerste woord dat bij de verslaggever opkomt voor die primitieve tekeningetjes (en primitief bedoel ik hier niet negatief). Ik constateer dus dat de term ‘stokpoppetje’ onherroepelijk aan het inburgeren is, of waarschijnlijk allang ingeburgerd is geraakt. En dat vind ik een beetje jammer.
Plaatje hier vandaan gejat
‘Stokpoppetje’ is een vrij nieuw woord: volgens mij is het pas deze eeuw ontstaan. En ik kan het niet helpen, ik blijf het ervaren als klakkeloze en niet helemaal lekkere (want voornamelijk op klank gebaseerde) vertaling van het Engelse stick figure.

Het Engelse stick kan zowel een stok zijn als een twijg, of zoiets kleins als een luciferhoutje. Maar bij een stok denk ik aan een stevig stuk hout (een stok om een hond mee te slaan), niet aan de iele streepjes in een primitief getekend figuurtje. En een stokpop... dat was, ook volgens Van Dale, eigenlijk altijd een pop op een stokje. Zoals een wajangpop:

Bron: Wikipedia

Of zo’n marionet als we bij handenarbeid moesten maken:

Bron: een webwinkel

Stokpoppetje staat als apart woord gelukkig nog niet in Van Dale. (Verbazingwekkend genoeg staat stick figure trouwens ook niet in de Van Dale Engels-Nederlands; doet Van Dale nog wel iets aan de inhoudelijke verbetering en uitbreiding van het vertaalwoordenboek, of gaat al het geld tegenwoordig op aan de techniek?) Maar dat is vast een kwestie van tijd; in WikiWoordenboek is het allang opgenomen (zij het met een waardeloze definitie). Mijn klacht komt vast te laat. (Nog afgezien van het feit dat er toch nooit iemand naar mij luistert.)

Maar het zij hier genoteerd: van mij mag het stokpoppetje als aanduiding voor primitieve tekeningetjes en als vertaling voor stick figure een zachte dood sterven.

Nee, een zachte dood, zeg ik!
Bron: een puber, denk ik...

Hark ye!

Hoe je het dan wel moet noemen? Gewoon, net als vroeger: een harkpoppetje. Een woord dat ook stripscenarist Patty Scholten blijkbaar liever gebruikt – zie haar blog.

Bron: blog Patty Scholten

Oké, soms is harkpoppetje misschien wat te specifiek. Sommige stick figures hebben geen harkhanden – en trouwens ook helemaal niets kinderlijks.

Oeps! Hier gevonden.

Ook de poppetjes van Maaike Hartjes hebben geen harkhanden.

Je kunt dat negeren en ‘harkpoppetje’ beschouwen als generiek woord voor álle primitief getekende figuurtjes, met harkhanden of niet. Maar het bleef toch aan me knagen.

Tot ik deze week op de radio toevallig een goed alternatief meende te horen. Het was in een radioreportage van OVT over een vrouw die in de Jappenkampen had gezeten. Haar zoon vertelde over de weerslag die dat op zijn jeugd had gehad. Op een gegeven moment had hij het over tekeningen van haar met, ‘ja hoe zal ik het noemen, luciferpoppetjes’. Het was radio, dus ik had er geen beeld bij – maar ik kreeg er tóch meteen een beeld bij!

Alle gekheid op een stokje

Natuurlijk, luciferpoppetjes! Zo’n stick figure bestaat niet uit stokken, maar uit zwavelstokjes. Het klonk zo vanzelfsprekend dat ik vermoed dat het woord luciferpoppetjes in Nederland wel vaker wordt gebruikt. In Delpher kan ik daar geen aanwijzingen voor vinden: daarin komen harkpoppetje, stokpoppetje en luciferpoppetje (of draadpoppetje, een andere mogelijkheid waar ik nog aan dacht) allemaal niet voor. Maar deze YouTube-gebruiker zal het toch ook niet zelf verzonnen hebben?


Overigens is het woord ‘luciferpoppetje’ wél in Delpher te vinden, welgeteld tweemaal – maar in een andere betekenis. En dat brengt me meteen bij het enige nadeel van dit woord: dat het lezers van een bepaalde generatie misschien doet denken aan iets heel anders. Aan een kortstondige rage uit de jaren 70 (bij mijn weten niet geïnspireerd op een bekend liedje van Annie M.G. Schmidt, maar je weet het natuurlijk nooit):

Bron: Go with the Vlo-blog
Maar als het over tekeningen gaat, snapt iedereen toch wel dat luciferpoppetje op de tekenstijl slaat, en niet op zo’n eng ding in een luciferdoosje? Dus weg met die stokpoppetjes.

Nou ja, ik héb het een keer gezegd.

(En te laat bedenk ik dat mijn zoektocht naar een alternatieve vertaling voor stick figures eigenlijk vrij overbodig is. In een vertaling kun je meestal volstaan met alleen ‘poppetjes’. Getekende poppetjes bestaan per definitie uit weinig meer dan een paar lijntjes. Het Engels ontpopt zich soms tot een inefficiënte taal die steeds een extra woordje nodig heeft om zoiets uit te leggen. Omdat het geen verkleinwoorden kent.
Maar dat terzijde.)

dinsdag 20 maart 2018

Een lieflijk orgasme


Het vreemde vertrouwd maken, dat is één manier om te omschrijven wat de vertaler doet. En het vertrouwde vreemd maken is wat een goede schrijver vaak doet. Geen sinecure dus om goede literatuur te vertalen, en het wordt misschien wel dubbel ingewikkeld bij literatuur uit een zo totaal andere taal en cultuur als de Japanse. Wat laat je intact en exotisch, eventueel met een verklarende voetnoot erbij, en wat probeer je te naturaliseren, binnen de tekst zelf uit te leggen of maar gewoon te negeren?



Vorig jaar las ik Tanizaki’s meesterlijke novelle De sleutel (1956) in de Nederlandse vertaling van M. Coutinho uit 1966. Op het eerste gezicht een intiem relaas over de erotische ontsporing (of ontluiking?) van een huwelijk, dat we tot ons krijgen via de dagboeken van beide echtelieden; maar nader beschouwd is het vooral ook een parabel over hoe Japan na de oorlog zijn tradities de rug toekeert en in rap tempo verwestert. De oudere man gaat fysiek ten onder aan de onverzadigbare seksuele wensen van zijn vrouw (of aan zijn eigen lust?). Als hij daaraan overlijdt, gaat zijn vrouw blijmoedig de toekomst tegemoet in een ménage à trois met haar minnaar en haar eigen dochter, die met hem is getrouwd. Alles gelardeerd met terloopse verwijzingen naar de westerse cultuur (de Hollywoodfilm Sabrina, Faulkners Sanctuary, cognac) die duidelijk moeten maken waar deze nieuwe seksuele mores vandaan komen.



Omdat ik toevallig ook de Franse vertaling uit 1966 van Gaston Renondeau in huis had liggen, La confession impudique getiteld, kon ik twee vertalingen vergelijken. Dat heb ik niet systematisch gedaan: ik pakte de Franse vertaling er alleen bij als ik in de Nederlandse tekst iets tegenkwam wat me opviel of vragen opriep. Je wordt je zo extra bewust van het feit dat je een vertaling leest, maar in tegenstelling tot wat wel eens wordt gedacht, hoeft dat aan de leeservaring niets af te doen. Het vergelijken van de vertalingen deed niets af aan de kracht van Tanizaki’s simpele maar subtiele novelle. Hooguit verhoogde het mijn besef van de moeite die het moet kosten om een tekst uit een zo andere cultuur voor de westerse lezer begrijpelijk te maken. Er zullen altijd wel details in blijven zitten waarvan je als westerse lezer niet weet hoe je die precies moet duiden.

Bonenkaas

Ik meende al snel te zien dat beide vertalers voor een andere, soms bijna tegengestelde strategie hebben gekozen. Het duidelijkst blijkt dat uit de voetnoten waarmee Renondeau sommige cultuurspecifieke verschijnselen verklaart; de Nederlandse vertaling bevat geen enkele voetnoot.

Neem deze Nederlandse passage:
Maar aangezien de telefoonleiding nog niet is veranderd en het vandaag ‘Akaguchi’, dus een slechte dag is, wilde Ikuko haar overhalen, te wachten tot de 21ste, die meer geluk belooft (p. 50)
In het Frans staat daar een hele uitleg bij – waardoor de vertaling ook (vermoed ik althans) wat dichter bij de tekst kan blijven:


Je kunt zeggen dat de uitleg weinig toevoegt en de lezer ‘uit de tekst haalt’. Maar ik vind dat voetnoten, mits spaarzaam gebruikt, helemaal niet storend hoeven te zijn, en in dit geval voegt de informatie wel degelijk iets toe, omdat dit bijgeloof een symbolische rol heeft: de vader en moeder houden nog vast aan die oude traditie, de dochter trekt zich er niets van aan.

Een ander voorbeeld is iemand die Baya heet of... een baya ís. Waar de Nederlandse simpelweg meldt ‘Baya is net weg’ (p. 79), lezen we in het Frans ‘Ici, la Baya est déjà partie’ (p. 75, mijn cursivering), met deze verklarende voetnoot:



In het Nederlands wordt niets uitgelegd en krijg je dus de indruk dat Baya de naam van de dienstbode is (als je al door hebt dat het om een bediende gaat).

Een enkele keer ontkomt ook de Nederlandse vertaler niet aan enige uitleg. Vooral als er gegeten wordt. Sommige gerechten worden dan tussen haakjes nader verklaard:


We zijn op slag terug in het Castafiore-tijdperk, toen Nederland nog geen andere soorten pasta kende dan macaroni en zoiets als tofu nog een vertaling nodig had. Vertalingen die mijn eetlust overigens niet echt opwekken. (Een soort macaroni met bonenkaas? Nee dank u.) Als er iets is wat de lezer uit de romanwereld haalt, is het natuurlijk zo’n uitleg tussen haakjes. Alsof er iemand op je schoot kruipt die je de juiste vertaling toefluistert van de rare woorden die de personages gebruiken.

Gedroogde navelstreng

Andere discrepanties die me opvielen, lijken het gevolg van vertaalfoutjes. Omdat ik het Japans niet beheers, kan ik daar niet helemaal voor instaan. Maar zelfs zonder kennis van het Japans valt met vrij grote zekerheid vast te stellen dat niet alles klopt. Ik zal een paar voorbeelden geven.

De hele novelle bestaat uit het dagboek van de beide echtelieden, dat we om beurten krijgen voorgeschoteld. Op pagina 36 lezen we:
Ik voel mij veel beter en als ik dat beslist wilde, zou ik kunnen opstaan; maar ik vind het prettiger in bed te blijven en de gebeurtenissen van de afgelopen nacht de revue te laten passeren. Daarna zal ik mijn dagboek bijwerken.
Dit is vreemd: ineens lijken we hier niet langer een dagboek te lezen, maar een inwendige monoloog van een personage dat in bed ligt te luieren en zich voorneemt straks in haar dagboek te gaan schrijven. In de hele novelle neemt Tanizaki nergens zo’n vrijheid met zijn vertelperspectief. Dat doet vermoeden dat Coutinho’s vertaling het oorspronkelijke Japans verkeerd weergeeft – een vermoeden dat door de Franse versie van Renondeau wordt bevestigd, want daar staat, veel logischer:
Je me serais bien levée; mais je n’en avais pas envie. Je restai couchée. Je pris mon journal et je me remémorai tranquillement les événements qui s’étaient passés depuis l’avant-veille. (p. 37)
Andersom is de Franse vertaler ook wel eens te betrappen op een omissie. Hij lijkt bijvoorbeeld zo te schrikken van deze zin:
Ik heb het helemaal onder een doos met oude brieven van mijn ouders verstopt, waarin ook nog mijn gedroogde navelstreng ligt, ... (p. 47)
dat hij die hele navelstreng maar weglaat:
Je le cache tout en bas d’une pile de vielles lettres de mon père et de ma mère. (p. 46)
Misschien een slordigheid, maar het is ook mogelijk dat Renondeau het Japanse gebruik om de navelstreng van je kind te bewaren zo vreemd vond (en de informatie irrelevant voor het verhaal), dat hij het in de vertaling liever wegliet. Geen onbegrijpelijke keuze, want die onverwachte navelstreng deed mij ook meteen naar de Franse vertaling grijpen om te zien of die het verklaarde. (Niet dus.) Een voetnoot was hier best op zijn plaats geweest, zeker omdat de lezer in 1963 nog geen Google had om hier opheldering over te verschaffen.

Een kever op haar buik

Raadselachtiger is de volgende discrepantie, in een van de vele minutieuze beschrijvingen van vrijpartijen. Het bizarre beeld dat in deze zin wordt opgeroepen, viel me onmiddellijk op:
Hij begon mij niet opnieuw onder mijn oksel te kussen, maar klom omstandig als een kever op mijn buik. (p. 39)
Nogal bevreemdend. Maar is die bevreemding een gevolg van een ‘andere’ literaire cultuur, van een doelbewuste poging tot vervreemding van de schrijver – of van de vertaling? Ik was benieuwd wat er in de Franse versie stond:
Il cessa de m’embrasser sous les aiselles mais posa ses lèvres sur mon bas-ventre et le baisa. 
Weg Kafka, geen kever te bekennen. Ook hier kun je dus op zijn minst zeggen dat de twee vertalers het Japans radicaal anders hebben geïnterpreteerd. Mogelijk geeft de tekst daar aanleiding toe, of misschien heeft de Franse vertaler hier iets weggemoffeld; ik weet het niet zeker.

Waar we Coutinho in ieder geval niet van hoeven te verdenken, is misplaatste preutsheid. Eerder in het verhaal is precies dezelfde vrijpartij namelijk al beschreven door de mannelijke hoofdpersoon, en dan wordt het feit dat hij ‘de schaamte’ van zijn vrouw kust in de Nederlandse vertaling niet verdoezeld:
Ik heb het zelfs gewaagd, haar schaamte te kussen, om te zien hoe zij hierop zou reageren, maar ik was onvoorzichtig en mijn bril viel op haar buik. (p. 34)
Maar zonder Japans te kennen, kun je op grond van interne samenhang wel concluderen dat de Nederlandse vertaler in het eerstgeciteerde zinnetje het Japanse woord waarschijnlijk verkeerd heeft begrepen, en er een kever in heeft gelezen die er niet stond.

Geboortedatum

Fouten zijn snel gemaakt: mijn vorige zin bevat er ook twee. Ten eerste heeft M. Coutinho de roman niet uit het Japans vertaald, en heeft hij dus ook geen Japans woord verkeerd begrepen. Als die kever een vertaalfout is, is die in een eerder stadium gemaakt. Het staat in mijn uitgave nergens vermeld, maar uit dit artikel op VertaalVerhaal blijkt wel dat het echtpaar Coutinho geen Japans had gestudeerd en vooral uit het Engels en Duits vertaalde.

Echtpaar ja, want dat is de tweede ‘fout’ in mijn zin: M. Coutinho was eigenlijk een vertalend echtpaar – wel een aardig detail in de context van deze novelle over de ontsporing van een huwelijk. (Zouden ze het werk zo hebben verdeeld dat hij het dagboek van de man voor zijn rekening nam, en zij dat van de vrouw? Uit het interview blijkt dat het waarschijnlijk niet zo is gegaan.)

Er zijn ook vertalingen van hun hand onder beider naam gepubliceerd, zoals van Nabokovs Lolita. (Die vertaling lijkt me overigens nog een reden om te vermoeden dat preutsheid in hun vertaalkeuzes geen rol speelde; al beweerde Max Pam in HP/De tijd ooit dat ‘seksuele toespelingen’ daarin ‘geheel verdwenen’ waren). Maar uit het artikel blijkt dat ze eigenlijk alles samen vertaalden, ook als de vertaling alleen onder de naam van M. Coutinho werd uitgebracht.

En het kan haast niet anders of de Coutinho’s hebben gebruik gemaakt van een eerdere vertaling: de Engelse of de Duitse. De Franse vertaling van Renondeau is zeker niet hun basistekst geweest. Daarvoor wijken de Franse en de Nederlandse tekst veel te sterk van elkaar af in zinsbouw en woordkeuze – en soms zelfs in een klein detail als het geboortejaar van de vrouwelijke hoofdpersoon:
Zij is geboren in 1907, zou nu dus vijfenveertig jaar oud moeten zijn; qua proporties lijkt zij nog niet zo op de Europese vrouwen als onze jonge mensen van tegenwoordig. (p. 31)
In het Frans:
Elle est née en 1913. Elle n’as pas les mêmes proportions que nos jeunes filles actuelles qui singent les Européennes. (p. 31)
De in de Nederlandse vertaling genoemde leeftijd van 45 klopt wel en wordt ook elders in de tekst genoemd. In deze charmante passage bijvoorbeeld:


Hoe het nou met het geboortejaar zit, kan ik zonder raadpleging van het origineel niet achterhalen. Heeft Tanizaki een foutje gemaakt door zijn hoofdpersoon 1913 als geboortejaar te geven, zodat ze hooguit 43 kon zijn in het jaar dat de novelle verscheen (1956)? Hebben de Coutinho’s (of de bron waarop ze zich baseerden) dat willen rechttrekken en de leeftijd van de vrouw erbij gezet als een soort (overbodige) rechtvaardiging? Of heeft de Franse vertaler ergens een foutje gemaakt? Ik weet het niet.

Grappig is wel dat de Amerikaanse vertaler de leeftijden van beide hoofdpersonen één jaar lager inschat: bij hem zijn ze niet respectievelijk 45 en 56 maar 44 en 55.  Daarmee valt de Engelse vertaling (waarvan het begin hier te lezen is) dus ook af als mogelijke bron voor de Coutinho’s.

Een lieflijk orgasme

Dan blijft de Duitse vertaling over, Op internet zijn leesfragmenten te vinden van twee verschillende Duitse vertalingen, beide uit het begin van het boek. Toevallig bevatte het begin van de roman ook al een passage die mij meteen naar de Franse vertaling deed grijpen omdat ik hem zo vreemd vond:
Zij bezit een voortreffelijke eigenschap, een eigenschap waarvan zij zelf niet het minste vermoeden heeft. Als ik in het verleden niet andere vrouwen had gekend, zou ik deze voortreffelijkheid waarschijnlijk niet hebben opgemerkt. Maar aangezien ik in mijn jonge jaren wel het een en ander heb beleefd, weet ik dat zij een zeldzaam lieflijk orgasme heeft, dat zelfs bij vrouwen niet vaak voorkomt. (p. 9-10)
Die formulering ‘een zeldzaam lieflijk orgasme’ komt nog diverse malen terug in het verhaal, op belangrijke plaatsen. Je zou kunnen zeggen dat de frase in het boek een... sleutelrol vervult. (Sorry.)

Des te intrigerender dat de Franse vertaler hetzelfde Japanse begrip blijkbaar heel anders heeft opgevat: niet als gebeurtenis (orgasme) maar als lichaamsdeel (orgaan):
Elle possède une beauté caractéristique à laquelle elle ne fait aucune attention. Si je n’avais eu l’expérience passée de relations avec bien d’autres femmes, je n’aurais peut-être pas remarqué cette particularité, mais m’étant amusé dans ma jeunesse, je sais qu’elle possède un organe tel qu’il en existe peu parmi les femmes.
Het verschil doet vermoeden dat het Japans hier dubbelzinnig of moeilijk te interpreteren is, of dat er een ongebruikelijk woord wordt gebruikt. In het Frans lijkt ‘organe’ me hier ook opvallender en minder gebruikelijk dan ‘sexe’ (het woord dat gebruikt werd in de hierboven aangehaalde passage met de ‘kever’). Staat er in het Japans een woord dat zowel (geslachts)orgaan als orgasme kan betekenen? Vond de Franse vertaler het vreemd om te zeggen dat een vrouw een ‘lieflijk orgasme’ heeft en heeft hij dat enerzijds willen naturaliseren, maar het vreemde willen behouden door het minder specifieke ‘organe’ te gebruiken in plaats van het normalere ‘sexe’? Of staat dat orgasme helemaal niet in de tekst, en is het een veel te specifieke (en misschien zelfs wat vreemde) invulling van een brontekst die minder uitgesproken is?

Als je nu de Duitse vertaling van Sachiko Yatsushiro en Gerhard Knauss uit 1961 erbij pakt, zie je meteen dat die als brontekst moet hebben gediend voor de Coutinho’s, zo nauw komen zinsbouw en woordkeuze van beide versies overeen (ook in andere passages):
Sie besitzt eine vorzügliche Eigenschaft, eine Eigenschaft, von der sie selbst keine Ahnung hat. Hätte ich nicht in der Vergangenheit andere Frauen gekannt, würde ich diesen Vorzug kaum bemerkt haben. Aber da ich in meinen jungen Jahren einiges erlebt habe, weiß ich, dass sie einen selten zarten Orgasmus besitzt, der sogar unter Frauen nicht oft zu finden ist. 
De Engelse vertaling van Howard Hibbett uit 1961 (waarvan het begin ook online staat) laat in het midden of het nou gaat om een gebeurtenis (orgasme) of een talent of fysieke eigenschap (orgaan), want in het Engels is alleen sprake van een ‘natural gift’ en een ‘physical endowment’:
she possesses a certain natural gift, of which she is completely unaware. Had I lacked experience with many other women I might have failed to recognize it. But I have been accustomed to such pleasure since my youth, and I know that her physical endowment for it is equaled by very few women. 
Dat suggereert dat de Japanse tekst vager of subtieler is dan in de oudere Franse en Nederlandse vertaling tot uiting komt. In 2017 is er een nieuwe Duitse vertaling verschenen, weer van een duo (Katja Cassing en Jürgen Stalph), die deze indruk bevestigt. Ook daarin is sprake van ‘eine spezielle körperliche gabe’ en wordt gezegd dat de vrouw op een bijzondere manier ‘ausgestattet’ is, wat dicht aanligt tegen het Engelse ‘endowment’ en eerder op een fysieke eigenschap wijst:
 Hier nun muss ich einen punkt zur sprache bringen, der für sie tabu ist: sie verfügt, ohne es selbst auch nur zu ahnen, über eine spezielle körperliche gabe. wenn ich früher keine beziehungen zou anderen frauen gehabt hätte, hätte ich diese gabe womöglich gar nicht als solche erkannt, aber da ich in jungen jahren ein flottes leben geführt habe, weiss ich, dass sie in einer weise ausgestattet ist, die man nur sehr, sehr selten findet.  

De eerdere Duitse vertalers (en daarmee de Nederlandse) lijken het vreemde vertrouwd te hebben willen maken door te benoemen wat in de Japanse tekst vager wordt omschreven; anderzijds hebben ze onbedoeld het vertrouwde vreemd gemaakt door een frase te gebruiken die zelf ook vragen oproept (wat is een ‘lieflijk orgasme’?).

Vreemd vertrouwd

Wat de nieuwe Duitse vertaling betreft: ik krijg de indruk dat die nieuwe vertalers consciëntieuzer en tekstgetrouwer te werk zijn gegaan dan hun voorgangers. Dat blijkt ook uit de vreemde hoofdletters waarin de passage hierboven is afgedrukt. Ik heb die overgenomen uit het leesfragment op de website van de uitgever; het is geen technische fout, de tekst staat in het boek zo afgedrukt. Althans: de dagboekfragmenten van de man zijn steeds in hoofdletters gezet, die van de vrouw in normale onderkast. Daarmee willen de vertalers een typografische eigenschap van de brontekst weergeven, zoals ze uitleggen in de Editorische Notiz:
Die Typographie ist keine Marotte, sie spiegelt eine Besonderheit des japanischen Originals, die sofort ins Auge springt: Der Professor benutzt in seinem Tagebuch ausschließlich Kanji und Katakana, die »harte« Männerschrift, seine Frau in ihrem ausschließlich Kanji und Hiragana, die »weiche« Frauenschrift. Mit einem Blick ist immer klar, von wem welcher Tagebucheintrag stammt. Im Deutschen übernehmen die Professorenkapitälchen diese Funktion – sie sind ebenso ungewöhnlich und wenig lesefreundlich wie die ausschließliche Kanji-Katakana-Mischschrif
Dat aspect van de tekst is in geen van de oudere vertalingen meegenomen. En je kunt natuurlijk ook betwijfelen of die hoofdletters het juiste effect sorteren, omdat we die in Westerse talen eerder associëren met ongeletterd geschreeuw op internet. Groot voordeel is wel dat je steeds meteen weet wiens dagboek je leest; in de andere vertalingen moet je dat uit de tekst opmaken.

Tijd voor Tanizaki

Ik zal niet beweren dat de oude Nederlandse vertaling van De sleutel een totaal ongenietbare tekst is. Hij geeft een aardige indruk van de kracht van Tanizaki’s novelle. Maar het blijft natuurlijk een Nederlandse vertaling van een niet helemaal vlekkeloze Duitse vertaling. Het lijkt mij hoog tijd dat er eens een nieuwe uitgave komt, met een vertaling uit het Japans. Net zoals het overigens tijd wordt dat Jacques Westerhovens mooie vertaling van Tanizaki’s meesterwerk Stille sneeuwval wordt heruitgegeven: een schitterende familieroman op het niveau van meesterwerken als Buddenbrooks of De boeken der kleine zielen.


Tot zover het slechte nieuws: Stille sneeuwval is momenteel niet in druk en van De sleutel is bij mijn weten nog geen nieuwe vertaling verschenen. Het goede nieuws is dat de Bezige Bij vorig jaar wel een lijvige bundel vroegere novellen van Tanizaki heeft uitgebracht, De brug der dromen, samengesteld en vertaald (ongetwijfeld direct uit het Japans) door Jos Vos. Ik heb die nog niet gelezen en kan er dus niets over zeggen, behalve dat ik op basis van mijn kennis van Tanizaki’s andere werk de hoogste verwachtingen heb.


donderdag 22 februari 2018

Racing for sweets

In een bespreking van een boek over Thomas Hardy door James Wood zie ik weer gedemonstreerd waarom hij als een van de beste critici van zijn generatie wordt beschouwd. Of je het met zijn opvattingen nu altijd eens bent of niet, hij kan ze erg mooi verwoorden.

Niet verwonderlijk dat hij zelf ook een roman heeft geschreven die binnenkort zal verschijnen. Of zijn proza ook in dat genre kan boeien, en dat meer dan tweehonderd pagina’s lang, is natuurlijk nog de vraag. Maar op de korte baan van de literaire kritiek vind ik hem een onbetwiste meester.

Dit schrijft hij over een paar van Hardy’s minder bekende en minder geslaagde romans:
They are outrageous tales, bulky as pantomime donkeys, twitching with melodramatic antics, sudden reversals, impostures and disclosures; the plots race like children for sweets.
Dat had ik best geschreven willen hebben. (En een vlotte vertaling hiervan is ook nog geen sinecure!) De romans waarover het gaat, The Hand of Ethelberta en The Well-Beloved, heb ik niet gelezen, maar bij het beeld dat hij schetst kan ik me wel iets voorstellen. Mede doordat dezelfde gebreken in mindere mate eigenlijk álle romans van Hardy kenmerken – ook de beter geslaagde. Ergens zijn al diens romans een beetje bulky as pantomime donkeys. En in zijn beste passages heeft hij de naar het snoep hollende kinderen even de deur uit geschopt.


zondag 18 februari 2018

Jus of juutje?

Michel Krielaars schreef vrijdag in NRC over Philip Roth, van wie onlangs niet alleen een kort maar krachtig interview verscheen, maar ook een lijvige bundeling van zijn essays en artikelen. Daarover meldt Krielaars het volgende:
Het bevat onder meer de niet eerder gepubliceerde lezing ‘Juice or gravy’ uit 1994, die een onthulling bevat. De schrijver vertelt hierin namelijk hoe hij in 1956, als hij net een baantje aan de Universiteit van Chicago heeft, in zijn vaste cafetaria een door iemand anders op tafel achtergelaten A4’tje aantreft. Op dat velletje staan negentien getypte, onsamenhangende zinnen. Toen ik ze las herkende ik in chronologische volgorde meteen de beginzinnen van zijn eerste negentien boeken, van Goodbye, Columbus (1960) tot en met Operation Shylock (1993). Telkens als Roth aan een nieuw boek begon, koos hij een volgende zin van dat A4’tje als het begin ervan. Alsof dat A4’tje een dienstbevel van hogerhand was. En zo schreef hij dertig jaar voort, zonder ooit te weten wie die zinnen had bedacht.
      Een van die zinnen gaat over een 86-jarige vader die per abuis met aangezichtsverlamming wordt gediagnosticeerd, terwijl hij een hersentumor heeft. Vijfendertig jaar later publiceert Roth Patrimony, een memoir over zijn eigen 86-jarige vader die hetzelfde overkwam. Ineens was het alsof Roth in dat cafetaria niet alleen de literatuur kreeg aangereikt, maar ook zijn toekomstige leven. Alsof hij zonder dat A4’tje nooit al die meesterlijke boeken had kunnen schrijven.
Ik citeer dit zo uitgebreid omdat ik, zoals wel vaker, niet goed hoogte van Krielaars’ toon kan krijgen. Hanteert hij een zo verfijnde vorm van ironie dat die mij ontgaat – of gelooft hij wérkelijk dat we dit ‘scheppingsverhaal’ van Roth (het Engelse ‘creation myth’ is eigenlijk meer op zijn plaats) letterlijk moet nemen?

Het zal wel niet, dat zou al te naïef zijn. Zodat mij alleen een ander dilemma rest waarmee dit stukje me confronteerde: of je de titel van Roths essay, ‘Juice or Gravy’, ook nog ánders kunt vertalen dan als ‘Jus of jus?’

En als het al kan, of je het dan moet willen...

Proost.



vrijdag 19 januari 2018

Schwob, kom er maar in

John Lithgow staat op Broadway met een one-man-show waarin hij verhalen vertelt en naspeelt uit een tachtig jaar oude bloemlezing van korte verhalen, in 1939 samengesteld door Somerset Maugham – en heeft daarmee een massale vraag gecreëerd naar dat al jaren niet meer verkrijgbare boek, aldus The Guardian.

bron: Guardian
De prijzen van de schaarse tweedehands exemplaren schieten nu natuurlijk de hoogte in. Dat is gekte. Ook een digitaal exemplaar van de tekst is niet makkelijk te vinden: waarschijnlijk zijn nog niet alle verhalen of vertalingen in het boek rechtenvrij. Het pdf-exemplaar dat wel al beschikbaar is op Archive.org, wordt daarom alleen digitaal uitgeleend: je kunt je inschrijven voor de wachtlijst.

Maar het belangrijkste is op die pagina wel te vinden: de inhoudsopgave van het boek. Dat vind ik aan oude bloemlezingen altijd het interessantste: welke verhalen vond Somerset Maughaum in 1939 de moeite waard om te selecteren?

In dit geval lijkt het mij een ware Fundgrube voor Schwob en uitgevers – en voor gewone liefhebbers van ‘vergeten’ literatuur. Een lijst van 100 verhalen van 96 auteurs – waaronder bijna 40 auteurs van wie ik nog nooit had gehoord. En in Nederland zijn zelfs sommige van de bekendere namen de laatste jaren al als ‘vergeten schrijver’ aan de man gebracht.

De volledige inhoudsopgave staat dus hier. Ter etalering van mijn eigen onwetendheid volgen hier alleen de 39 schrijvers van wie ik, al dan niet terecht, nog nooit had gehoord. Ik had eigenlijk een lijstje van 40, maar Edna Ferber – mij tot vorig jaar ook volledig onbekend – is onlangs ‘herontdekt’ door vertaalster Lisette Graswinckel en Nieuw Amsterdam.

En nu maar lezen:

Krambambuli / Marie von Ebner-Eschenbach
Youth / Karl Emil Franzos
Useless mouths / Octave Mirbeau
Without visible means / Arthur Morrison
The stricken doe / Pierre Mille
The monkey's paw / W.W. Jacobs
The coach / Violet Hunt
The last visit / Tristan Bernard
Papago wedding / Mary Austin
Uncle Franz / Ludwig Thoma
Captain Ribnikov / Alexander Kuprin
Hydromel / Vassili Iretsky
Without cherry blossom / Pantaleimon Romanof
In the town of Berdichev / Vassili Grossman
Hunger / Alexander Neweroff
Romance / Vera Inber
Earth on the hands / Boris Pilnjak
The child / Vsevolod Ivanov
The customer / Georgy Peskov
The knives / Valentine Katayev
The amulet / Jacob Wassermann
In the last coach / Leonhard Frank
The tragedy of Goupil / Louis Pergaud
The chink / Alexandre Arnoux
The golden beetle / Bruno Frank
The Catalan night / Paul Morand
Silent snow, secret snow / Conrad Aiken
The lovely day / Jacques de Lacretelle
On the farm / Hans Friedrich Blunck
A start in life / Ruth Suckow
The desert island / Stella Benson
Orphant Annie / Thyra Samter Winslow
The imposition / L.A.G. Strong
The doll / J. Kessel
The cherry feast / Ernst Glaeser
No more trouble for Jedwick / Louis Paul
If you can't be good, be cautious / T.O. Beachcroft
Convalescence / Kay Boyle
Oklahoma race riot / Frances W. Prentice

Nou ja, misschien moet ik de lijst bij nader inzien inkorten tot 37 auteurs: van Paul Morand had ik wel eens gehoord (Tendres Stocks, vriend van Proust) en van Vassili Grossman is enkele jaren geleden een heel dikke roman in het Nederlands verschenen, geloof ik. Maar de rest...

Ook opvallend: Somerset Maugham was blijkbaar zo bescheiden om van zichzelf geen verhaal op te nemen. Dat siert hem, want iedere andere bloemlezer had dat – zeker toen – ongetwijfeld wel gedaan. (Zelf ben ik niet zo gecharmeerd van zijn werk, maar dat is weer wat anders.)

En nee, dat is een ándere J. Kessel...


donderdag 18 januari 2018

Leven en dood

Ik heb Het leven en de dood in den Ast (1926) van Stijn Streuvels net gelezen: een bijzonder mooie novelle. Het is misschien moeilijk om dit nog aan een hedendaags Nederlands publiek te verkopen: het staat bol van het West-Vlaams dialect. Gelukkig is van veel woorden de betekenis wel ongeveer af te leiden uit de context, en wie toch de moeite doet om dit te lezen wordt daar volgens mij ruimschoots voor beloond. Streuvels’ taalgebruik geeft zijn verhaal een weergaloze couleur locale. En het is heel gek, maar dat dialect van hem klinkt (voor wie er enigszins mee vertrouwd is) vaak minder verouderd dan standaard-Nederlands uit diezelfde tijd.

Zo wordt bijvoorbeeld iemand wakker gemaakt:
Stom kalf! hebt ge den wekker niet gehoord? Is dat gods-mogelijk zóó te slapen!
En als ze even later proberen weer in slaap te komen, is het:
Ei Knorre, gij beest! roept Hutsebolle in een gramte, gij nondedomme, peist ge dat er op de wereld niemand anders moet slapen dan gij alleene? Kruip liever entwaar in een zwijnskot, bij uwe weerga, in plaats van ons hier alzoo de milt af te zagen!
Dat ‘gramte’ (wrevel) is een vrij obscuur woord – misschien een poging om duur te doen? Maar de dialoog zou volgens mij nog steeds ongeveer zo kunnen klinken.

Uitgave Lannoo

De opzet van het verhaal is eenvoudig maar effectief: we volgen de gesprekken en gedachten van drie boerenknechten tijdens hun nachtdienst in de cichorei-drogerij van hun boer. Om de paar uur moeten ze opstaan om de bonen om te scheppen en uit te harken (‘ruifelen’). Tussendoor kletsen ze wat met elkaar en mijmeren over wat ze van hun leven hebben gemaakt, daartoe mede gestimuleerd door een zwerver die in een hoek van de schuur ligt te slapen. De komst van die krekel confronteert deze hardwerkende mieren met hun levenskeuzes. En hun bespiegelingen daarover zijn niet altijd even vrolijk:
Dit huwelijk staat hem nu in de verbeelding als een schromelijke grenspaal die zijn jong leven afgesloten heeft. De leute ineens uit, rads gelijk met een mes... Maar hoe was het tot trouwen gekomen? God weet het! Gauw nadien echter waren hem de oogen opengegaan. Op eenige weken: àl de nieuwigheid er af! - ze stonden tegenover elkaar in hun schamel, bloot wezen, hadden niets meer te toonen of te verduiken, en voelden zich aaneen gebonden gelijk een koppel ossen aan 't zelfde jok... Sedert dien was 't eenbaarlijk trekken geweest, en dan nog niet altijd aan denzelfden streng, want de een wilde soms juit als de ander tuik snokte; van toegeven aan malkander, geen spraak voortaan - liever ruzie en krakeel. Tot we beiden, overvoerd door slameur van werk en jongens, eindelijk tam en murw geworden zijn, ons om 't even schooren moesten voor ons brokke brood.
Aan het eind van de ochtend blijkt de zwerver van ouderdom overleden en wordt het werk hervat. De cirkel is rond. Dat het menselijk bedrijf in deze novelle nadrukkelijk als een cirkelgang wordt geschetst, is al meteen vanaf de eerste alinea’s duidelijk. En alleen in hun dromen kunnen de arbeiders kortstondig aan die cirkel ontsnappen en wat vluchtig geluk ervaren:
Met tegenzin komen ze uit den goeden slaap, en al weten ze 't sedert lang dat droomen zinsbedrog is, toch blijft er altijd de ontgoocheling die verdrietig aandoet, als men in dat dompig kot wakker wordt, om aan 't werk te vallen. Het is altijd de eeuwige, voorgehouden waarheid, die niemand ontgaan kan: dat men in 't zelfde vel blijft steken waarin men geboren is... dat men niet buiten de dingen kan die u omgeven, tenzij in den droom. Maar dat is dan ook enkel droomen - om bij 't ontwaken zooveel te meer de verdrietigheid te voelen en de treurigheid te ondergaan van het onvermijdelijke vastzitten... en dieper in de moze te verzinken...
Het leven lijkt slechts desillusie te brengen:
Met oud te worden went een mensch aan alles, ook aan een kwaad wijf, men geraakt onverschillig aan de dingen waar vroeger al het belang in gelegen was, omdat men voor de ondervinding staat dat alles op niets uitloopt en ten ondomme geschiedt. Vroeger welde soms nog de spijt om 't gedacht aan 't geen voorbij was en nooit meer zou terugkomen, maar dàt ook geraakt achterna bij den brol en 't oudijzer. En toch blijft er altijd een zekere treurnis en twijfel aan de mogelijkheid om 't geen ànders had kunnen zijn...
De ‘leute’ en de illusies die aan die onverschilligheid en teleurstelling voorafgaan, de branie van de uitgaande jeugd, weet Streuvels overigens ook in rijke kleuren te schilderen. Net als de subtiele standsverschillen in de boerensamenleving, zoals geschetst in het portret van de boer en zijn familie.

Aan het begin van de avond komt die boer even kijken of alles goed gaat en maakt een praatje met zijn werknemers. Maar van echt contact is geen sprake:
't Gesprek tusschen boer en drogers gaat gezapig, over bekende onderwerpen: 't werk, het weer, de suikerijen, den prijs der boonen. Het is een vormelijk gekeuvel, hetzelfde van alle dagen, zonder drift of begeestering, uit gewoonte, omdat het zoo hoort als men samen zit, met gapingen telkens een onderwerp is afgehandeld; ondertusschen blijft elk in eigen gedachten bezig, die met 't gesprek niets te maken hebben - dingen welke men liefst onuitgesproken houdt, die effen aan opkomen en gewekt worden door een woord in verre verband of in geheel anderen zin waarop het uitgesproken werd. Want hetgeen den boer op de ziele drukt, daarmede moet hij bij 't werkvolk niet afkomen; en zij evenmin zullen hem mededeelen wat hun gemoed bezwaart. 
Die laatste zin raakt aan een kernthema van het boek, want het is heus niet alleen tegen hun boer dat de knechten niet echt kunnen zeggen wat ze denken. Dat onvermogen tot wezenlijke communicatie is hier een constante van alle conversatie, zoals Streuvels bij herhaling benadrukt:
In gedachten doen ze wederzijds beschouwingen over hun stand in 't leven, en daar raken zij dingen aan die zelfs niet onder 't eigen bloed, of tusschen naastbestaanden, ooit uitgesproken worden; zelfs op de plechtige stonden van het leven praat men daarover heen, want bij ingeving en gevoel maakt ieder bij zich zelven het onderscheid in 't geen gezegd en 't geen verzwegen wordt, - omdat 't één aan 't oppervlak van hun wezen ligt, - 't ander in de onderste lade verborgen blijft; zelfs als de nood aan mededeeling het naar boven dwingt, voelt men de onmacht, daar het buiten den toon der gewone gesprekken valt, en aanstellerig, valsch klinken zou, en daarenboven niemand over woorden beschikt om het uit te drukken.
Over die woorden beschikt Streuvels gelukkig wel.

En omdat veel van die woorden niet in Van Dale staan en niet bij iedereen bekend zijn, hier nog een verklarend woordenlijstje bij de bovenstaande citaten:

peist = peinst, denkt
gramte = gram, wrevel
entwaar = ergens
weerga = gelijke
verduiken = verbergen
eenbaarlijk = onophoudelijk, voortdurend
juit en tuik =  nergens gevonden; gelegenheidswoord? Lokale term voor links en rechts, of snel en langzaam?
snokte = rukte
slameur = moeite en zorg, beslommeringen
schoren = inspannen, schrap zetten (?)
moze = modder
ten ondomme = nutteloos, vergeefs
brol = rommel

dinsdag 16 januari 2018

Nare mensen

De groeiende toegankelijkheid van krantenarchieven – die van Trouw, de Volkskrant en Het Parool zijn sinds kort aan Delpher toegevoegd – roept soms meer vragen op dan erdoor beantwoord worden.
Het Parool 23-02-1978
bron: Delpher

Populairst de afgelopen 30 dagen

Populairst aller tijden ooit: