Zoeken in deze blog

vrijdag 19 januari 2018

Schwob, kom er maar in

John Lithgow staat op Broadway met een one-man-show waarin hij verhalen vertelt en naspeelt uit een tachtig jaar oude bloemlezing van korte verhalen, in 1939 samengesteld door Somerset Maugham – en heeft daarmee een massale vraag gecreëerd naar dat al jaren niet meer verkrijgbare boek, aldus The Guardian.

bron: Guardian
De prijzen van de schaarse tweedehands exemplaren schieten nu natuurlijk de hoogte in. Dat is gekte. Ook een digitaal exemplaar van de tekst is niet makkelijk te vinden: waarschijnlijk zijn nog niet alle verhalen of vertalingen in het boek rechtenvrij. Het pdf-exemplaar dat wel al beschikbaar is op Archive.org, wordt daarom alleen digitaal uitgeleend: je kunt je inschrijven voor de wachtlijst.

Maar het belangrijkste is op die pagina wel te vinden: de inhoudsopgave van het boek. Dat vind ik aan oude bloemlezingen altijd het interessantste: welke verhalen vond Somerset Maughaum in 1939 de moeite waard om te selecteren?

In dit geval lijkt het mij een ware Fundgrube voor Schwob en uitgevers – en voor gewone liefhebbers van ‘vergeten’ literatuur. Een lijst van 100 verhalen van 96 auteurs – waaronder bijna 40 auteurs van wie ik nog nooit had gehoord. En in Nederland zijn zelfs sommige van de bekendere namen de laatste jaren al als ‘vergeten schrijver’ aan de man gebracht.

De volledige inhoudsopgave staat dus hier. Ter etalering van mijn eigen onwetendheid volgen hier alleen de 39 schrijvers van wie ik, al dan niet terecht, nog nooit had gehoord. Ik had eigenlijk een lijstje van 40, maar Edna Ferber – mij tot vorig jaar ook volledig onbekend – is onlangs ‘herontdekt’ door vertaalster Lisette Graswinckel en Nieuw Amsterdam.

En nu maar lezen:

Krambambuli / Marie von Ebner-Eschenbach
Youth / Karl Emil Franzos
Useless mouths / Octave Mirbeau
Without visible means / Arthur Morrison
The stricken doe / Pierre Mille
The monkey's paw / W.W. Jacobs
The coach / Violet Hunt
The last visit / Tristan Bernard
Papago wedding / Mary Austin
Uncle Franz / Ludwig Thoma
Captain Ribnikov / Alexander Kuprin
Hydromel / Vassili Iretsky
Without cherry blossom / Pantaleimon Romanof
In the town of Berdichev / Vassili Grossman
Hunger / Alexander Neweroff
Romance / Vera Inber
Earth on the hands / Boris Pilnjak
The child / Vsevolod Ivanov
The customer / Georgy Peskov
The knives / Valentine Katayev
The amulet / Jacob Wassermann
In the last coach / Leonhard Frank
The tragedy of Goupil / Louis Pergaud
The chink / Alexandre Arnoux
The golden beetle / Bruno Frank
The Catalan night / Paul Morand
Silent snow, secret snow / Conrad Aiken
The lovely day / Jacques de Lacretelle
On the farm / Hans Friedrich Blunck
A start in life / Ruth Suckow
The desert island / Stella Benson
Orphant Annie / Thyra Samter Winslow
The imposition / L.A.G. Strong
The doll / J. Kessel
The cherry feast / Ernst Glaeser
No more trouble for Jedwick / Louis Paul
If you can't be good, be cautious / T.O. Beachcroft
Convalescence / Kay Boyle
Oklahoma race riot / Frances W. Prentice

Nou ja, misschien moet ik de lijst bij nader inzien inkorten tot 37 auteurs: van Paul Morand had ik wel eens gehoord (Tendres Stocks, vriend van Proust) en van Vassili Grossman is enkele jaren geleden een heel dikke roman in het Nederlands verschenen, geloof ik. Maar de rest...

Ook opvallend: Somerset Maugham was blijkbaar zo bescheiden om van zichzelf geen verhaal op te nemen. Dat siert hem, want iedere andere bloemlezer had dat – zeker toen – ongetwijfeld wel gedaan. (Zelf ben ik niet zo gecharmeerd van zijn werk, maar dat is weer wat anders.)

En nee, dat is een ándere J. Kessel...


donderdag 18 januari 2018

Leven en dood

Ik heb Het leven en de dood in den Ast (1926) van Stijn Streuvels net gelezen: een bijzonder mooie novelle. Het is misschien moeilijk om dit nog aan een hedendaags Nederlands publiek te verkopen: het staat bol van het West-Vlaams dialect. Gelukkig is van veel woorden de betekenis wel ongeveer af te leiden uit de context, en wie toch de moeite doet om dit te lezen wordt daar volgens mij ruimschoots voor beloond. Streuvels’ taalgebruik geeft zijn verhaal een weergaloze couleur locale. En het is heel gek, maar dat dialect van hem klinkt (voor wie er enigszins mee vertrouwd is) vaak minder verouderd dan standaard-Nederlands uit diezelfde tijd.

Zo wordt bijvoorbeeld iemand wakker gemaakt:
Stom kalf! hebt ge den wekker niet gehoord? Is dat gods-mogelijk zóó te slapen!
En als ze even later proberen weer in slaap te komen, is het:
Ei Knorre, gij beest! roept Hutsebolle in een gramte, gij nondedomme, peist ge dat er op de wereld niemand anders moet slapen dan gij alleene? Kruip liever entwaar in een zwijnskot, bij uwe weerga, in plaats van ons hier alzoo de milt af te zagen!
Dat ‘gramte’ (wrevel) is een vrij obscuur woord – misschien een poging om duur te doen? Maar de dialoog zou volgens mij nog steeds ongeveer zo kunnen klinken.

Uitgave Lannoo

De opzet van het verhaal is eenvoudig maar effectief: we volgen de gesprekken en gedachten van drie boerenknechten tijdens hun nachtdienst in de cichorei-drogerij van hun boer. Om de paar uur moeten ze opstaan om de bonen om te scheppen en uit te harken (‘ruifelen’). Tussendoor kletsen ze wat met elkaar en mijmeren over wat ze van hun leven hebben gemaakt, daartoe mede gestimuleerd door een zwerver die in een hoek van de schuur ligt te slapen. De komst van die krekel confronteert deze hardwerkende mieren met hun levenskeuzes. En hun bespiegelingen daarover zijn niet altijd even vrolijk:
Dit huwelijk staat hem nu in de verbeelding als een schromelijke grenspaal die zijn jong leven afgesloten heeft. De leute ineens uit, rads gelijk met een mes... Maar hoe was het tot trouwen gekomen? God weet het! Gauw nadien echter waren hem de oogen opengegaan. Op eenige weken: àl de nieuwigheid er af! - ze stonden tegenover elkaar in hun schamel, bloot wezen, hadden niets meer te toonen of te verduiken, en voelden zich aaneen gebonden gelijk een koppel ossen aan 't zelfde jok... Sedert dien was 't eenbaarlijk trekken geweest, en dan nog niet altijd aan denzelfden streng, want de een wilde soms juit als de ander tuik snokte; van toegeven aan malkander, geen spraak voortaan - liever ruzie en krakeel. Tot we beiden, overvoerd door slameur van werk en jongens, eindelijk tam en murw geworden zijn, ons om 't even schooren moesten voor ons brokke brood.
Aan het eind van de ochtend blijkt de zwerver van ouderdom overleden en wordt het werk hervat. De cirkel is rond. Dat het menselijk bedrijf in deze novelle nadrukkelijk als een cirkelgang wordt geschetst, is al meteen vanaf de eerste alinea’s duidelijk. En alleen in hun dromen kunnen de arbeiders kortstondig aan die cirkel ontsnappen en wat vluchtig geluk ervaren:
Met tegenzin komen ze uit den goeden slaap, en al weten ze 't sedert lang dat droomen zinsbedrog is, toch blijft er altijd de ontgoocheling die verdrietig aandoet, als men in dat dompig kot wakker wordt, om aan 't werk te vallen. Het is altijd de eeuwige, voorgehouden waarheid, die niemand ontgaan kan: dat men in 't zelfde vel blijft steken waarin men geboren is... dat men niet buiten de dingen kan die u omgeven, tenzij in den droom. Maar dat is dan ook enkel droomen - om bij 't ontwaken zooveel te meer de verdrietigheid te voelen en de treurigheid te ondergaan van het onvermijdelijke vastzitten... en dieper in de moze te verzinken...
Het leven lijkt slechts desillusie te brengen:
Met oud te worden went een mensch aan alles, ook aan een kwaad wijf, men geraakt onverschillig aan de dingen waar vroeger al het belang in gelegen was, omdat men voor de ondervinding staat dat alles op niets uitloopt en ten ondomme geschiedt. Vroeger welde soms nog de spijt om 't gedacht aan 't geen voorbij was en nooit meer zou terugkomen, maar dàt ook geraakt achterna bij den brol en 't oudijzer. En toch blijft er altijd een zekere treurnis en twijfel aan de mogelijkheid om 't geen ànders had kunnen zijn...
De ‘leute’ en de illusies die aan die onverschilligheid en teleurstelling voorafgaan, de branie van de uitgaande jeugd, weet Streuvels overigens ook in rijke kleuren te schilderen. Net als de subtiele standsverschillen in de boerensamenleving, zoals geschetst in het portret van de boer en zijn familie.

Aan het begin van de avond komt die boer even kijken of alles goed gaat en maakt een praatje met zijn werknemers. Maar van echt contact is geen sprake:
't Gesprek tusschen boer en drogers gaat gezapig, over bekende onderwerpen: 't werk, het weer, de suikerijen, den prijs der boonen. Het is een vormelijk gekeuvel, hetzelfde van alle dagen, zonder drift of begeestering, uit gewoonte, omdat het zoo hoort als men samen zit, met gapingen telkens een onderwerp is afgehandeld; ondertusschen blijft elk in eigen gedachten bezig, die met 't gesprek niets te maken hebben - dingen welke men liefst onuitgesproken houdt, die effen aan opkomen en gewekt worden door een woord in verre verband of in geheel anderen zin waarop het uitgesproken werd. Want hetgeen den boer op de ziele drukt, daarmede moet hij bij 't werkvolk niet afkomen; en zij evenmin zullen hem mededeelen wat hun gemoed bezwaart. 
Die laatste zin raakt aan een kernthema van het boek, want het is heus niet alleen tegen hun boer dat de knechten niet echt kunnen zeggen wat ze denken. Dat onvermogen tot wezenlijke communicatie is hier een constante van alle conversatie, zoals Streuvels bij herhaling benadrukt:
In gedachten doen ze wederzijds beschouwingen over hun stand in 't leven, en daar raken zij dingen aan die zelfs niet onder 't eigen bloed, of tusschen naastbestaanden, ooit uitgesproken worden; zelfs op de plechtige stonden van het leven praat men daarover heen, want bij ingeving en gevoel maakt ieder bij zich zelven het onderscheid in 't geen gezegd en 't geen verzwegen wordt, - omdat 't één aan 't oppervlak van hun wezen ligt, - 't ander in de onderste lade verborgen blijft; zelfs als de nood aan mededeeling het naar boven dwingt, voelt men de onmacht, daar het buiten den toon der gewone gesprekken valt, en aanstellerig, valsch klinken zou, en daarenboven niemand over woorden beschikt om het uit te drukken.
Over die woorden beschikt Streuvels gelukkig wel.

En omdat veel van die woorden niet in Van Dale staan en niet bij iedereen bekend zijn, hier nog een verklarend woordenlijstje bij de bovenstaande citaten:

peist = peinst, denkt
gramte = gram, wrevel
entwaar = ergens
weerga = gelijke
verduiken = verbergen
eenbaarlijk = onophoudelijk, voortdurend
juit en tuik =  nergens gevonden; gelegenheidswoord? Lokale term voor links en rechts, of snel en langzaam?
snokte = rukte
slameur = moeite en zorg, beslommeringen
schoren = inspannen, schrap zetten (?)
moze = modder
ten ondomme = nutteloos, vergeefs
brol = rommel

dinsdag 16 januari 2018

Nare mensen

De groeiende toegankelijkheid van krantenarchieven – die van Trouw, de Volkskrant en Het Parool zijn sinds kort aan Delpher toegevoegd – roept soms meer vragen op dan erdoor beantwoord worden.
Het Parool 23-02-1978
bron: Delpher

maandag 15 januari 2018

Great stuff

‘She was of the stuff of which great men’s mothers are made.’
Far from the Madding Crowd
Thomas Hardy weet wel hoe hij een vrouw moet complimenteren.

De film vond ik een oogstrelende mislukking.

zondag 14 januari 2018

De mooiste taal van de wereld

Als het gaat om muziek (la musique!) en de liefde (l’amour!) – en komt dat uiteindelijk niet op hetzelfde neer? (memmen le même!) – gaat er toch niets boven de Franse taal. De mooiste taal ter wereld!

Dat bewijst Joop Maes hier weer met zijn nieuwe zomerhit La joindrouille. Zo mooi!


Tranen in mijn ogen.

vrijdag 12 januari 2018

Wie wint de Zwarte Trui?

Ik zit een flutprogramma te vertalen en merk weer dat alles toch zijn nut heeft en niets verloren gaat. Want afdalend in deze diepste krochten van de documentairekunst vind ik tussen alle nutteloze feiten die over me worden uitgestort ook een nieuwtje waardoor ik plots besef: Bob den Uyl leeft!


Of draait hij zich alleen om in zijn graf?

In ieder geval: wielrennen in de mijnen, het is al jaren mogelijk. De Ronde van het Carboon is ingehaald door de tijd. Ondergronds fietsen is een complete toeristenindustrie geworden.


Lang leve de zwarte trui! Welkom in de surrealiteit! Bob den Uyl for president!

woensdag 10 januari 2018

Say it with a brick

“Ivanka is zo dom als een baksteen,” zou Steve Bannon gezegd hebben, volgens NRC vorige week. Een haastige journalistenvertaling, dacht ik. Hij noemde haar natuurlijk thick as a brick, en dat zou ik niet meteen plompverloren met baksteen vertalen: het is een staande uitdrukking omdat het rijmt, niet omdat Engelstaligen een baksteen nou bij uitstek dom vinden. Hij vindt haar gewoon oliedom. Dacht ik.

Hoor ik vanochtend de BBC-nieuwslezer op de radio zeggen dat Bannon haar “dumb as a brick” heeft genoemd. Ik moet dus niet zo dom zeiken en eerst maar eens beter mijn werk doen.


Al bekruipt me nu wel de wens om het te vertalen als “Ivanka is zo dom als olie”...

(Zo dom als een deur?)

Tijd voor een liedje...


Populairst de afgelopen 30 dagen

Populairst aller tijden ooit: